Vertrouwen moet van twee kanten komen

“Mensen die in armoede leven, hebben minder sociale contacten, participeren minder in de maatschappij, hebben weinig vertrouwen in anderen en hebben vaak een korter lontje door de chronische stress die ze ervaren”, hoor ik mijzelf en mijn mede-geïnterviewden zeggen in een podcast over armoede en sociale cohesie. Het voelt ongemakkelijk om zo over mensen te praten die in een hele lastige situatie verkeren. Ik wil niet teveel generaliseren of zelfs stigmatiseren, maar dit is wel ons antwoord op de vraag hoe de relatie tussen armoede en sociale cohesie in elkaar steekt.

Ik weet nog goed wanneer ik leerde dat mensen die in een hele lastige situatie zitten vaker wantrouwen hebben richting andere mensen. Ik interviewde gezinnen met multi-problematiek over hun gezondheid en sociale netwerk. “Na al die problemen, dan leer je wel dat er maar één persoon is op wie je altijd terug kan vallen… en dat ben je zelf. Dat hebben mijn kinderen inmiddels ook van mij overgenomen”, aldus een alleenstaande moeder. Toen ik de zoveelste persoon sprak die niet meer op anderen vertrouwde, dook ik de literatuur in. Het bleek geen nieuwe wetenschappelijke ontdekking die ik had gedaan. Wantrouwen is een bekend gevolg van het leven in grote onzekerheid.

De podcast-interviewer vraagt me of een wijkaanpak misschien een oplossing is om armoede en sociale cohesie gezamenlijk aan te pakken. Maar ik hoor de vraag niet eens echt en probeer mijn ongemak onder woorden te brengen over hoe makkelijk we praten over hoe armoede leidt tot minder participatie, meer wantrouwen en kortere lontjes. Dat klinkt alsof het allemaal aan de mensen in armoede ligt, maar dat is natuurlijk niet zo. Sociaal contact en vertrouwen moet wel van twee kanten komen. Als het niet meer zo gezellig is om met iemand om te gaan die in grote geldnood zit, betekent dat niet dat je het contact moet verbreken. Bovendien ken ik ook tal van voorbeelden van mensen die in armoede leven en juist wél het sociale contact opzoeken en zich in hun wijk organiseren om het verschil te maken. De gemiddelden doen geen recht aan de situatie van elk individu.

Wantrouwen ontstaat natuurlijk ook niet vanzelf bij mensen die in moeilijkheden verkeren. Het is vaak het gevolg van keer op keer teleurgesteld worden door familieleden, vrienden, professionals en overheden. In een onderzoek van één van mijn promovendi kwamen we veel wantrouwen tegen bij jongeren met crimineel gedrag. Ze wilden geen hulp om uit hun problemen te komen, want konden immers alleen nog op zichzelf vertrouwen. “Maar wanneer zou je dan wel hulp accepteren?”, vroeg mijn promovendus. Ze waren al zo vaak teleurgesteld door professionals dat ze alleen ondersteuning zouden accepteren van iemand die vergelijkbare dingen heeft meegemaakt, een ervaringsdeskundige dus.

Vertrouwen moet dus van twee kanten komen. Als we willen dat mensen de maatschappij en de overheid niet meer de rug toekeren, moeten we als maatschappij en overheid betrouwbaarder worden. Dit was onlangs ook de oproep van het Sociaal Cultureel Planbureau. Naast de benodigde omschakeling van de overheid moeten we zelf ook mensen die in de problemen zijn gekomen niet de rug toekeren, maar sociale steun bieden en de helpende hand toesteken.