Tien jaar participatiesamenleving: kansen voor samenwerking

28 september 2023 | Leestijd: 17 minuten
Participatie is overal, tien jaar na de geboorte van de ‘participatiesamenleving’ in de Troonrede van 2013. De overheid ziet participatie als een antwoord op veel vragen, zowel in het fysieke als het sociale domein. En vooral ook bij de complexe maatschappelijke opgaven, die vragen om samenwerking tussen deze domeinen én met bewoners. Kan participatie die verbindende rol waarmaken? Dat onderzocht Platform31 in opdracht van het G40 Stedennetwerk. Dit essay beschrijft hoe participatie landde in beleid én in de praktijk van integrale wijkaanpak, als verbindend element tussen het sociale en fysieke domein. Het biedt beleidsmakers en -uitvoerders inspiratie om de kansen die participatie biedt nog beter te benutten.

Auteur(s)

Dit essay maakt deel uit van een vierluik over participatie. Dat bevat ook een historisch overzicht van participatie, een artikel over participatiedoelen en drie praktijkvoorbeelden.

Participatie door de jaren heen: hoe ‘meedoen’ mode werd

Domeinoverstijgend participeren? Begin bij de doelen

Groningen, Utrecht en Tilburg pakken participatie domeinoverstijgend aan

Het begrip participatiesamenleving bestaat pas sinds 2013, maar zette sinds het werd geïntroduceerd in de Troonrede van 2013 een grote verandering in gang in het denken over de rolverdeling tussen burger en overheid. Het deed een samenleving ontstaan waarin steeds meer eigen verantwoordelijkheid en initiatief van burgers wordt verwacht. Bijvoorbeeld voor een aardgasvrije wijk, in de buurtspeeltuin, bij de renovatie van het wooncomplex, in de appgroep voor buurtveiligheid en bij een beroep op sociale voorzieningen. De overheid doet bovendien een beroep op burgers om hulpvragen meer zelf en met het netwerk op te lossen. Tegelijkertijd zoeken sommige burgers zelf ook op allerlei terreinen naar ruimte om hun omgeving zelf vorm te geven. Van buurthuisbeheer tot vrijwilliger in het taalcafé.

De participatiesamenleving was in 2013 het antwoord op een samenleving met meer mondige en opgeleide burgers, en de uitdagingen waarvoor de regering zich gesteld zag: Het overheidstekort wegwerken, de economie versterken, zorgen voor betaalbaarheid van voorzieningen, solidariteit tussen generaties en evenwicht tussen verschillende inkomensgroepen. Inmiddels kleuren nieuwe en complexe maatschappelijke opgaven onze realiteit. Opgaven die veelal samenkomen in kwetsbare wijken, waar de noodzaak om echt goed aan te sluiten bij waar bewoners in het dagelijks leven mee bezig zijn en samen te werken tussen domeinen alleen maar groter is geworden. Het roept de vraag op waar we tien jaar later staan met participatie.

Een verkenning in twee delen

In een verkenning, die Platform31 uitvoerde voor het G40 Stedennetwerk, bekeken we hoe de participatiesamenleving is geland in wet- en regelgeving, in zowel het fysieke als het sociale domein. En hoe bij integrale wijkaanpakken – dus waar beide domeinen samenkomen – de samenwerking rond participatie beleidsdoelen helpt realiseren. We keken daarvoor naar casussen in Groningen, Tilburg en Utrecht.

De verkenning leert ons dat er kansen zijn om het oorspronkelijke gedachtengoed achter de participatiesamenleving, dat van medeverantwoordelijkheid en meedoen, nog beter te benutten en zo domeinoverstijgend samen te werken rond participatie. Maar daarvoor is het wel nodig dat professionals uit beide domeinen helderheid hebben over het – bepaald niet eenduidige – begrip participatie, de doelen die ze ermee willen bereiken en met welke overdracht van zeggenschap of verantwoordelijkheid.

Dit essay bestaat uit twee delen:

  • Een verdiepende schets van het begrip participatie in twee domeinen, vanuit beleid en wetgeving.
  • Een blik op hoe de samenwerking tussen domeinen rond participatie eruit ziet/kan zien, met enkele praktische adviezen

Participatie anno 2023, een veelomvattend begrip

Participatie vindt volop plaats, zowel in het fysieke als het sociale domein (de twee domeinen waartoe dit artikel zich beperkt). Beide beleidsterreinen groeiden vanuit eigen historische en sociaaleconomische ontwikkelingen toe naar meer betrokkenheid en verantwoordelijkheid van burgers. En elk gaven ze er op eigen wijze invulling aan, zowel in wet- en regelgeving als in de praktijk.

Participeren: deelnemen (aan)

Participatief: medezeggenschap bevorderend

Van Dale woordenboek

Hoewel Van Dale er helder over is, lopen in de beleidspraktijk van overheden definities uiteen over wat participatie is.

Enkele definities van participatie uit diverse bronnen en domeinen:

Participatie: Het betrekken van inwoners bij onder meer de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid. (Memorie van Toelichting bij Wetsvoorstel versterking participatie op decentraal niveau, 2022).

Participatieve aanpak: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. (Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet, 2014)

Participatie is nodig om informatie, kennis, belangen en standpunten te delen, met als doel een kwalitatief beter besluit, met meer draagvlak en een korte doorlooptijd. Deze doelen worden bereikt door de meedenkkracht, initiatieven en ideeën uit de maatschappij te gebruiken. (Code maatschappelijke participatie bij MIRT-projecten, 2014)

Het gaat om deelname op verschillende manieren: betaald werk, zorg voor anderen, onderwijs, vrijwilligerswerk, vrije tijd en het sociale bestaan. Dat draagt positief bij aan de kwaliteit van leven van mensen en de kwaliteit van de samenleving als geheel. (SCP Meerjarenplan 2021-2025, SCP, 2021)

Cliëntenparticipatie houdt in dat cliënten en gebruikers al in een vroeg stadium meedenken, meepraten en zo mogelijk meebeslissen over het beleid van een gemeente of instelling. (Dossier Wat werkt bij cliëntenparticipatie, Movisie 2016)

Volwaardige participatie omschrijven we als de kansen en de vrijheid die een persoon krijgt om zijn wensen en talenten te ontwikkelen (Meedoen aan de samenleving, SCP, 2022)

Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel. (Troonrede van 2013)

Participatie in het fysieke domein

In het fysieke domein is participatie meestal een manier om allerlei belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken bij het proces van besluitvorming over een project of activiteit. Bewoners krijgen de kans om mee te praten over de energietransitie in de wijk of ontwikkelingen in de openbare ruimte. De Omgevingswet geeft hiervoor duidelijke richtlijnen. Maar denk ook aan de verduurzaming van woningbouw in de corporatiesector, waarbij participatie verplicht is volgens de Overlegwet.

De Erasmus Universiteit, die in 2019 een kennisbasis voor participatie in de fysieke leefomgeving opstelde, kwam tot de volgende definitie:

“Participatie is een proces waarbij individuen, groepen en organisaties invloed uitoefenen op en controle delen over collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten die hen aangaan.”

Participatie gaat er volgens deze definitie dus over dat de overheid invloed en/of controle geeft aan burgers. Bijvoorbeeld door ze te laten meedenken of meebeslissen, al dan niet op initiatief van participanten zelf. Burgers informeren is in die zin dus geen participatie. In deze definitie zijn ook de collectieve vraagstukken belangrijk, zoals plannen voor een wijk of dorp; bij meebeslissen over individuele vraagstukken – het plaatsen van een dakkapel – is geen sprake van participatie.

Participatie in het sociale domein

In het sociale domein gaat participatie  over allerlei manieren waarop de overheid burgers een rol laat spelen in het sociale domein. Van vrijwilligerswerk tot het uitdaagrecht – waarbij burgers de mogelijkheid hebben om taken van de overheid over te nemen, en van alles daar tussenin. Burgers worden betrokken bij beleidsvorming tot en met evaluatie van beleid, zoals het meten van tevredenheid van ouders en kinderen in de jeugdzorg. Daarnaast is er de sterke aansporing aan inwoners om mee te doen naar vermogen, bijvoorbeeld als mantelzorger en via de tegenprestatie die gemeenten kunnen verlangen bij het uitkeren van een bijstandsuitkering. En tot slot speelt cliëntenparticipatie in het sociaal domein een rol. Cliëntenparticipatie regelt het betrekken van cliënten en patiënten bij het beleid over de zorg- en dienstverlening waar zij een beroep op doen.

Om te snappen hoe de verschillende invulling van hetzelfde begrip in beide domeinen heeft kunnen ontstaan, is het goed om te kijken naar de ontwikkeling in het denken over het samenspel tussen burgers en overheid.

Van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving

De participatiesamenleving kwam in 2013 niet zomaar uit de lucht vallen de veranderende rolverdeling tussen burger en overheid vloeide voort uit de opkomst van het new public management, in de laatste decennia van de vorige eeuw: het neoliberalistische gedachtengoed onder bestuurders, politici en bestuurskundigen dat een zakelijker, meer klantgerichte benadering van de rol van de overheid zou bijdragen aan een doelmatiger bestuur. Het denken voorzag in een kleine, slagvaardige overheid, ruimte voor de markt en maatschappelijk middenveld en meer publiek-private samenwerking om maatschappelijke taken uit te voeren. Toen duidelijk werd dat de beloften van het neoliberalisme niet allemaal werden ingelost en de afstand tussen burger en overheid vergrootte, veranderde de blik op het samenspel tussen burgers en overheid. Zij zouden, samen met markt en middenveld, meer als een netwerk moeten functioneren: in de netwerksamenleving ontstond rond de eeuwwisseling veel aandacht voor inspraak en meedenkende burgers in interactieve besluitvorming.

Burger als verlengstuk van beleid

Volgens Kim Putters, tot medio 2022 directeur van het Sociaal en Cultureel Plantbureau (SCP), werd de burger hiermee te veel een verlengstuk van beleid, zo beschrijft hij in Het einde van de BV Nederland (2022) Putters, K. (2022). Het einde van de BV Nederland. Prometheus. 1 . Tot echte betrokkenheid van die burger kwam het nauwelijks, omdat dat ook geen doel was en een volwaardige samenwerking ontbrak. Het doel om effectiever en efficiënter te besturen bleef domineren, beschrijft Putters. En daarmee een sterk overheidsgericht perspectief op participatie.

Daartoe aangemoedigd door diverse adviesorganen verlegde de overheid de koers naar meer zeggenschap voor burgers. In de kabinetsnota De Doe-democratie uit 2013 beloofde de overheid in te zetten op meer vertrouwen in en ruimte voor maatschappelijke initiatieven. In datzelfde jaar kwam, via de Troonrede, ook de term participatiesamenleving in beeld, met meer nadruk op eigen verantwoordelijkheid en initiatief van burgers. Het gedachtengoed is deels ingegeven door de overheidsfinanciën: de zakelijke, efficiënte aanpak van de overheid ten spijt, verkeerde Nederland in een economische crisis en betaalbaarheid van voorzieningen was nog steeds een knelpunt.

Het heft in eigen hand, met de coöperatieve samenleving

Het viel samen met de ontwikkeling dat burgers ook meer het heft in eigen hand willen nemen. Op allerlei terreinen – zowel in het sociale als fysieke domein – ontstonden initiatieven waarin burgers zoeken naar ruimte om hun omgeving zelf vorm te geven. De coöperatieve samenleving groeide de afgelopen jaren, bewonerscollectieven en sociaal ondernemers pakten maatschappelijke vraagstukken op; soms uit frustratie, uit de overtuiging het zelf beter te kunnen, of omdat de overheid het liet liggen.

Putters is in zijn beschouwing over hoe burger en overheid met elkaar samenleven niet positief over de opbrengst van de participatiesamenleving. In het sociale domein leidde het niet tot meer meedoen en meer kansengelijkheid. Van burgers verlangen dat ze meedoen en medeverantwoordelijkheid dragen, vraagt om goede begeleiding, juist van groepen die worstelen met meedoen in de samenleving, betoogt Putters.

Werk vanuit het burgerperspectief

De participatiesamenleving biedt wat dat betreft meer van hetzelfde, betoogt hij: overheidsperspectief, gericht op overheidsdoelen. De les is volgens Putters dat de overheid “moet leren kijken vanuit het leven van mensen.”

Dit inzicht dringt steeds meer door, met name binnen het sociaal domein, waar nu meer aandacht komt voor ongelijke kansen en omstandigheden die mensen belemmeren mee te doen, die zijn beschreven door onder andere de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (Weten is nog geen doen, 2017) en de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (Machtige mensbeelden, 2021).

Doorwerking in wetten en beleid

Het uitgangspunt van een grotere rol voor burgers in beleid en uitvoering terug te zien in allerlei beleid en wetgeving die sinds het begin van deze eeuw werd voorbereid, in het sociale domein en in het fysieke domein.

Naar een ordening van het begrip participatie

Zowel in het fysieke domein als in het sociale domein is participatie een belangrijk fundament geworden onder het ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van beleid. Maar de nieuwe ideeën over de participatiesamenleving kwamen niet op dezelfde manier in beleid, wetten en uitvoeringspraktijken terecht. Hoe burgers betrokken worden of welke rol en verantwoordelijkheden hen worden toegekend, verschilt. Daardoor zijn in diverse overheidsdomeinen verschillen ontstaan in wat onder participatie wordt verstaan.

Tegelijkertijd maken complexe maatschappelijke opgaven het noodzakelijk dat beide domeinen samenwerken met elkaar én met de burger. Inzet en medewerking van burgers is onmisbaar om zorg en welzijn betaalbaar te houden, de energietransitie te realiseren en leefbaarheid in wijken te verbeteren. Voor al deze doelen wordt participatie als middel ingezet.

Twee begrippen: beleidsparticipatie en maatschappelijke participatie

Voor samenwerking helpt het dus om enige ordening aan te brengen in het begrip participatie. Een onderscheid dat naar voren komt in literatuur en beleidsstukken, is dat tussen:

  • Beleidsparticipatie: het meedenken/meebeslissen over beleid en het evalueren daarvan.

Deze vorm van participatie is vaak te zien in de fysieke leefomgeving (denk aan meedenken over de warmtetransitie, de wijkinrichting of de woningbouwopgave), maar vindt ook plaats in het sociale domein. Bijvoorbeeld als burgers meedenken met een aanpak om eenzaamheid tegen te gaan of het evalueren van de zorg voor jeugd. En voorbeelden zoals deelnemen aan een burgertop, of stemmen voor een burgerbegroting kunnen alle beleidsterreinen omvatten

  • Maatschappelijke participatie: wat gaat over het deelnemen aan het maatschappelijk leven, maar ook over betrokkenheid van burgers bij het uitvoeren van beleid, al dan niet via het uitdaagrecht.

Maatschappelijke participatie kan gaan over de individuele deelname van mensen aan onderwijs en de arbeidsmarkt, of aan het sociale en culturele leven. Binnen de Participatiewet verwijst dit begrip naar meedoen via betaald of vrijwillig werk. Maar binnen andere contexten kan het ook gaan over het leveren van een bijdrage (individueel of als groep) aan maatschappelijke opgaven zoals leefbaarheid, een duurzame samenleving, zorg en welzijn in de buurt. Het begrip maatschappelijke participatie raakt zowel aan de opgaven uit het sociale domein, als aan de fysieke leefomgeving. Waarbij écht meedoen in het sociale domein een stuk lastiger blijkt te realiseren, zoals Kim Putters beschrijft, dan in het fysieke domein. Daar wordt vooral een beroep gedaan op de burgerkracht van mondige, actieve bewoners, terwijl participatie in het sociale domein zich juist richt op groepen die kwetsbaar zijn.

En bewonersparticipatie dan?

Tot slot nog het begrip bewonersparticipatie, veelgehoord in de praktijk van het fysieke domein. Hieronder verstaan professionals zowel dat bewoners meedenken over vraagstukken (beleidsparticipatie), als meedoen aan en concrete activiteiten in de leefomgeving (maatschappelijke participatie). Voor samenwerking met het sociale domein zou het helpen om bewonersparticipatie nauwkeuriger te definiëren en uit te werken langs de definities van beleidsparticipatie en maatschappelijke participatie.

Domeinoverstijgend samenwerken? Bespreek definities, verwachtingen en motieven

Samenwerking vraagt dus ten eerste om helderheid over waarover je het hebt. De begrippen beleidsparticipatie en maatschappelijke participatie kunnen hierbij helpen. De notie van Kim Putters dat echte samenwerking met burgers nog onvoldoende tot stand is gekomen en participatie zo niet bijdraagt aan kansengelijkheid, vraagt daarbij nog wel extra aandacht. Om te voorkomen dat nog steeds het overheidsperspectief op participatie domineert, is het belangrijk om de blik echt op de burger te richten. In het sociale domein is daar de afgelopen jaren veel over geleerd. Het is zinvol om in de samenwerking daarvan gebruik te maken.

Vervolgens is duidelijkheid nodig over de burger: wie is dat? De professional die aan beleidsparticipatie werkt, heeft andere doelgroepen voor ogen, dan de collega die aan maatschappelijke participatie werkt, voor bewoners die om de een of andere reden niet mee kunnen komen in de maatschappij (vanwege bijvoorbeeld hun sociaal economische status, leeftijd, of beperking.). Inwoners die meedoen aan beleidsparticipatie zijn meestal de burgers die het op eigen kracht prima redden.

Een derde onduidelijkheid die moet worden opgelost als je wil samenwerken, gaat over de vraag: wat verwacht je van participatie? Het gaat dan over de doelen je ermee wilt bereiken, en de mate waarin sprake is van het geven of zelfs overdragen van zeggenschap of verantwoordelijkheid.

Professionals die met verschillende domeinen willen samenwerken aan opgaven en daar bewoners bij (willen) betrekken, moeten voorafgaand aan de samenwerking met elkaar in gesprek gaan over:

  1. Welke vorm van participatie bedoelen we (beleidsparticipatie of maatschappelijke participatie)?
  2. Over welke burger hebben we het?
  3. Wat verwachten we ervan: Vanuit welke doelen wordt participatie ingezet en met welke overdracht van zeggenschap of verantwoordelijkheid?

Doelen van participatie

De vraag welk doel wil je bereiken met participatie leidt tot een vrij eenduidig antwoord wanneer het gaat over beleidsparticipatie: de meedenkkracht en expertise van burgers gebruiken om beter beleid en betere plannen te maken en tot draagvlak te komen voor beslissingen.

Maar wanneer het gaat over maatschappelijke participatie, wordt het ingewikkelder. Om te beginnen treedt in het sociale domein een spraakverwarring op zodra het over doelen gaat: participatie is hier niet alleen een middel om doelen te bereiken, maar kan ook een doel op zichzelf zijn. Zoals het coalitieakkoord uit 2021 stelt, moeten “alle inwoners naar vermogen mee kunnen doen”. Meedoen – oftewel participeren in het onderwijs en op de arbeidsmarkt – is het doel, en wordt geplaatst tegenover niet-meedoen, in de zin van ‘leunen op de overheid’.

Van meedoen tot draagvlak creëren

Daarnaast zijn in de twee domeinen uiteenlopende participatiedoelen zichtbaar. In het sociale domein gaat participatie dus vooral over meedoen. Deze zelfredzaamheid kan het sociale weefsel van de samenleving versterken (doel), wat er weer kan zorgen dat burgers anderen helpen om mee te doen (doel). En achterliggende doelen daarvan kunnen bezuinigingen zijn, of het terugdringen van het beroep op de overheid.

In het fysieke domein wordt participatie vooral gebruikt voor doelen als draagvlak creëren, betere plannen maken, betere uitvoering van beleid of zorgen voor gedragsverandering. Tot slot gebruikt de overheid participatie ook met als doel om de relatie met de samenleving verbeteren en de democratie te versterken. Het gaat er dan om het vertrouwen in de overheid te vergroten en te werken aan effectief, verbindend lokaal bestuur.

Participatie en zeggenschap/verantwoordelijkheid

Een belangrijke vraag die professionals zich moeten stellen voor aanvang van een participatieproces is in hoeverre er sprake is (kan zijn) van een overdracht van zeggenschap of verantwoordelijkheid.

Bij beleidsparticipatie – in beide domeinen – biedt de participatieladder hiervoor een helder inzicht: de inbreng van bewoners gaat van hun mening geven (raadplegen) tot zelf organiseren. Hun zeggenschap over een plan of besluit reikt daarmee van een beetje tot volledig, en de mate waarin zij als volwaardige gesprekspartner van de overheid worden gezien, stijgt met elke trede.

Figuur: Janneke ten Kate

Meer regie, of meer betutteling?

Waar het gaat over maatschappelijke participatie is de vraag over zeggenschap en verantwoordelijkheid iets diffuser. Participatie als manier om de eigen kracht van mensen beter te benutten (empowerment als doel) kan ervoor zorgen dat mensen meer eigen regie over hun leven krijgen.

Daar staat tegenover dat het stimuleren van meer eigen verantwoordelijkheid nemen ook als betuttelend kan worden ervaren: de overheid zegt wat goed voor u is. Het kan ertoe leiden dat mensen zich juist machtelozer voelen, gemangeld door regels en procedures.

Als meedoen betekent dat burgers via het uitdaagrecht de verantwoordelijkheid voor welzijnsactiviteiten of lokaal openbaar vervoer op zich nemen, draagt de overheid daadwerkelijk een deel van verantwoordelijkheid en dus van de macht over.

deel van verantwoordelijkheid en dus van de macht over.

Maak verwachtingen expliciet

Waar professionals zich op al deze spectrums bevinden, kan verschillen per gemeente en de ambities of doelen die daar belangrijk zijn, en zelfs per afdeling of persoon. Voor professionals uit het sociale en fysieke domein die willen samenwerken rondom participatie is het zinvol om hierover vooraf met elkaar te praten en verwachtingen expliciet te maken.

Duidelijk is dat de wens om burgers meer eigen verantwoordelijkheid te geven ook betekent dat er sprake moet zijn van het overdragen van zeggenschap, of verantwoordelijkheid. Het gevaar bestaat anders dat burgers zich niet serieus genomen, of juist overvraagd voelen en dat het uitnodigingen tot participatie zelfs het averechtse effect kan hebben dat teleurgestelde bewoners zich afkeren van (samenwerking met) de overheid. Wanneer participatie niet goed verloopt kan door slechte publiciteit het vertrouwen in de overheid afnemen, blijkt uit recent onderzoek naar het effect van participatie op vertrouwen in de overheid, in opdracht van de provincie Zuid-Holland. En als het doel van participatie ook het ‘meedoen’ is van mensen die dat niet vanzelfsprekend doen, is het nodig om hier specifiek aandacht aan te besteden.

Drie casussen

Platform31 keek in drie gemeenten hoe de samenwerking tussen het sociale en fysieke domein rond participatie vorm krijgt in een wijkaanpak, waar meerdere problemen om oplossingen vragen.

Groningen zet in Selwerd in op kracht van bewoners bij wijkaanpak

In de Groningse wijk Selwerd is sinds 2014 het wijkbedrijf Selwerd gevestigd. Hier stimuleren bewoners hun buren om mee te doen in de wijk (als vrijwilliger, in een klusteam, als energiecoach of in het restaurant). Het wijkbedrijf maakt met enige regelmaat gebruik van het ‘right to challenge’. Zo heeft het wijkbedrijf in 2017 het taxivervoer in de wijk van de gemeente overgenomen.

Sinds 2016 zet de gemeente in op een integrale gebiedsaanpak, waarbij zowel fysieke als sociale opgaven worden aangepakt. Groningen gebruikt daarvoor de ABCD-methode (Asset Based Community Development), die aansluit bij wat al ‘leeft’ in de wijk en waarin het perspectief en de capaciteiten van de bewoner centraal staan. De gemeente werkt hiervoor intensief samen met het wijkbedrijf.

Fysieke of sociale interventies (zoals vervanging van de riolering) worden gebruikt als aanknopingspunt om in gesprek te gaan met bewoners. Dit gebeurt vaak aan de deur. Professionals zonder sociale achtergrond zijn door de buurtregisseur getraind om ook sociale onderwerpen mee te nemen.

De gemeente werkt met een programmabureau voor Selwerd, waarin de algemeen projectleider eindverantwoordelijk is voor de wijkaanpak. Er is een kernteam, waarin het fysieke en sociale domein vertegenwoordigd zijn, naast de buurtregisseur en een communicatieadviseur. Alle plannen voor Selwerd gaan altijd langs het kernteam.

Sociaal architect denkt mee bij plannen voor Utrechtse wijk Overvecht

Utrecht ontwikkelde een integrale aanpak voor de wijk Overvecht. Die moet als één van de eerste Utrechtse wijken losgekoppeld worden van het gas, maar kampt ook met leefbaarheidsvraagstukken. Eén van de deelprojecten is de gebiedsontwikkeling van het centrumgebied in Overvecht, een wijk met relatief veel mensen in kwetsbare situaties. 

In het ontwikkelen van het toekomstplan voor Overvecht Centrum, besteedt de gemeente veel aandacht aan beleidsparticipatie, met als belangrijk doel om te werken aan vertrouwen. Ook wil de gemeente dat de gebiedsontwikkeling bijdraagt aan de realisatie van de leefbaarheidsdoelen uit de wijkaanpak.

Daarom zet de gemeente een sociaal architect in bij het ontwikkelen van de plannen. Deze helpt ambtenaren uit het fysieke domein, bewoners en andere stakeholders onder andere om te begrijpen hoe de leefomgeving kan bijdragen aan het versterken van de sociale basis in de wijk. Het team verbindt op die manier opgaven uit beide domeinen aan elkaar.

De focus ligt in Overvecht op het combineren van doelen: gebiedsontwikkeling én versterken van de sociale basis, bijvoorbeeld door ruimte te bieden aan ondernemen en initiatieven in de wijk. De aanpak is sterk bewonersgericht, waardoor plannen beter aansluiten bij wat mensen nodig hebben in de wijk. De sterke inzet op de vertrouwensrelatie moet zorgen voor een beter plan en meer draagvlak.

Samenwerking tussen domeinen versterkt sociale basis in Tilburgs Groenewoud

In Tilburg boekte de aanpak van verschillende kwetsbare wijken te weinig effect. De gemeente koos met de PACT-methode (People Acting in Community Together) voor een langjarige aanpak. Het sociale en fysieke domein werken hierin samen en vanuit het perspectief van de bewoners. Zij zijn leidend en dragen eigenaarschap.

Participatie (of samenwerken met bewoners) vindt vooral plaats door het opbouwen van het netwerk in de wijk en het aansluiten bij wat er al leeft/gebeurt in de wijk. Professionals proberen in gesprek te komen met bewoners. Dit doen zij onder andere door ‘doen-activiteiten’, zoals het opzetten van een audiotour door de wijk waarvoor bewoners verhalen inspreken. Uit deze samenwerking zijn al verschillende initiatieven voortgekomen, zoals een oude sportkantine die door buurtbewoners is omgetoverd tot buurthuis.

Binnen de gemeente weten collega’s uit het fysieke en sociale domein elkaar goed te vinden rond participatie. Een omgevingsmanager is verantwoordelijk voor de PACT-aanpak en werkt intensief samen met de adviseur participatie. De aanvullende capaciteiten van collega’s uit de beide domeinen werkt versterkend.

Tilburg ziet de aanpak als een kansrijke methode om doelen uit beide domeinen te realiseren, op een integrale manier. De verwachting is dat het effect wederkerig is. Fysieke en sociale initiatieven dragen bij aan het versterken van de sociale basis (en als bijvangst ook aan sociale activering). En vertrouwen in de overheid/professionals door goede participatie zorgt voor (in potentie) meer inbreng van bewoners en betere plannen.

Observaties uit de praktijk

In de gesprekken met de drie gemeenten vroeg Platform31 de professionals om de samenwerking met bewoners te beschrijven aan de hand van de twee vormen: beleidsparticipatie en maatschappelijke participatie. Hoewel de professionals zelf niet met deze tweedeling werken, herkennen ze die wel in wat ze doen. Wel zijn ze erg aan het zoeken naar manieren om de samenwerking tussen twee domeinen en met bewoners effectiever te maken. Enerzijds zoeken ze meer aansluiting bij de eigen beleidsdoelen en anderzijds bij de behoeften en capaciteiten van bewoners.

In de drie onderzochte casussen is te zien dat de samenwerking tussen het sociale en fysieke domein ervoor zorgt dat collega’s uit beide domeinen ervaringen uitwisselen over de wijkaanpak. Dat gebeurt structureel en in formele structuren. Plannen voor de wijk krijgen daardoor een integrale blik en uitwerking.

Meer in gesprek, ook achter de voordeur

Medewerkers uit het fysieke domein komen, door de inbreng van collega’s uit het sociale domein, meer dan anders in gesprek met bewoners, vaak letterlijk achter de voordeur. Ambtenaren uit beide domeinen krijgen door de gezamenlijke aanpak een beter begrip van de leefwereld van wijkbewoners, wat doorwerkt in aanpak en plannen. De dialoog met de wijk verbetert.

De samenwerking leidt ertoe dat participatie wordt ingezet om in de wijkaanpak doelen uit beide domeinen te combineren en in samenhang te realiseren. Zo zien de respondenten met name twee belangrijke doelen vanuit het sociale domein die zij willen beïnvloeden of die beïnvloed zouden kunnen worden door (beleids)participatie.

  • Versterken sociale basis: het herkennen van de capaciteiten van de mensen in de wijk. Weten wie de sleutelfiguren zijn. Een netwerk in de wijk opbouwen. De mensen kennen etc.
  • Versterken sociale activering: mensen laten meedoen in de samenleving door middel van (vrijwilligers)werk
  • In mindere mate ook thema’s als aanpak armoede, eenzaamheid etc.

Hoe verder?

In de drie onderzochte casussen is goed te zien dat beleidsparticipatie (meedenken) en maatschappelijke participatie (meedoen, medeverantwoordelijkheid) meer in samenhang kunnen worden opgepakt. Betere plannen maken en versterken van de sociale basis kunnen hand in hand gaan. Ze illustreren ook dat samenwerking tussen het sociale en fysieke domein er in potentie voor kan zorgen dat opgaven uit beide domeinen meer in samenhang worden opgepakt.

Participatie kan een verbindende rol spelen

De praktijkvoorbeelden laten kortom zien dat participatie inderdaad de verbindende rol kan waarmaken die de overheid ervoor zag en ziet, juist bij complexe opgaven in wijken. Professionals zijn met goede bedoelingen vanuit de opgaven aan de slag gegaan met samenwerking, niet zozeer vanuit participatie. In de praktijk komen ze elkaar juist op dat punt tegen en zoeken gaandeweg wat werkt. De ervaringen zijn vaak nog pril en de resultaten broos en lastig meetbaar.

De beschouwing van de manier waarop participatie is geland in beleid en wetgeving, toont dat het begrip participatie niet eenduidig is. Het heeft verschillende betekenissen en dient uiteenlopende doelen in het sociale en fysieke domein.

Maar dat vraagt om goede afstemming tussen domeinen

Samenwerking tussen domeinen rond participatie in de praktijk is gebaat bij een goed gesprek vooraf. Dit gesprek tussen professionals kan helderheid scheppen over de verwachtingen en ambities van participaties. Het stelt professionals in beide domeinen in staat om van elkaar te leren. Om kennis over het bereiken van minder zichtbare doelgroepen (fysieke domein) en over een benadering vanuit behoeften van de burger (sociale domein) met elkaar te delen. De kansen die participatie biedt, zijn zo nog beter te benutten.

Als we participatie de rol willen geven die het begrip impliceert – meedenken, meedoen en medeverantwoordelijkheid – voer het gesprek vooraf dan óók met bewoners. Dan verschuift wellicht eindelijk het perspectief echt naar de burger, dat is juist in de integrale aanpak van kwetsbare wijken van extra belang.

Meer lezen? Dit essay komt voort uit een verkenning van Platform31 naar participatie in het sociale en fysieke domein. Deze verkenning leverde ook een historisch overzicht van participatie op, een artikel over participatiedoelen en drie praktijkvoorbeelden.

Contact

Saskia Buitelaar 06 57 94 16 75 LinkedIn

Ontvang nieuws van Platform31

Nieuws, publicaties en bijeenkomsten van Platform31 automatisch in jouw mailbox? Meld je dan aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief over actuele ontwikkelingen in stad en regio.

Bekijk al onze nieuwsbrieven en updates

"*" geeft vereiste velden aan