Keuzes maken in tijden van spanning en schaarste
Deze studie zet trends en ontwikkelingen en bijbehorende handelingsperspectieven voor gemeenten op een rijtje.
Het demissionair kabinet-Schoof vroeg Peter Wennink in september 2025 om een onafhankelijk advies uit te brengen over het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Al snel sprak men over de ‘Nederlandse Draghi’, oftewel een Nederlandse doorvertaling van het eerder verschenen – en veelbesproken – adviesrapport van Mario Draghi aan de Europese Commissie. Draghi luidde de noodklok over de toekomstige concurrentiekracht van de Europese economieën in het licht van de verharde geo-economische competitie in de nieuwe multipolaire wereldorde. Op soortgelijke alarmistische wijze windt ook Wennink er geen doekjes om. Hij benadrukt dat we ons ook in Nederland zorgen moeten maken.
De diagnose is helder: Nederland loopt in rap tempo economische schade op door onder meer de hoge energieprijzen en netcongestie, het stikstofslot, de trage processen van vergunningverlening en het gebrek aan technisch geschoold personeel. Dit, en het gebrek aan een standvastige langetermijnvisie, draagt er bovendien aan bij dat durfkapitaal Nederland links laat liggen. Hetgeen niet alleen desastreus is voor de concurrentiekracht, maar ook voor de gemiddelde koopkracht – zeker in het licht van de oplopende zorgkosten als gevolg van de vergrijzing, aldus Wennink.
Het rapport draagt een aantal concrete, soms gedurfde, oplossingsrichtingen aan. Bijvoorbeeld het verplichten van gemeenten om grond voor bedrijven uit te geven of het financieel aantrekkelijker maken van technische opleidingen. Wennink benadrukt dat we ‘strategische relevantie’ moeten nastreven in enkele veelbelovende sectoren: digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Het idee is dat we hiermee internationale waardeketens afhankelijk maken van onze Nederlandse producten en diensten.
Om dit te bereiken doet hij concrete voorstellen voor publieke investeringen van enkele tientallen miljarden in de komende tien jaar, die als hefboom moeten fungeren voor een veelvoud aan private kapitaalinvesteringen.
Al snel na het verschijnen van het rapport regende het reacties. Gechargeerd samengevat: de diagnose en de boodschap krijgen over het algemeen veel bijval, maar het discours over de noodzaak van economische groei en private kapitaalinvesteringen stuit op meer kritiek. Hetzelfde geldt voor aannames over de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Dergelijke redenaties zijn snel onderwerp van ideologische discussie. Verder klinkt er kritiek op de afbakening van de economische domeinen die we als land primair zouden moeten stimuleren. De cijfermatige onderbouwing in het rapport wordt hier en daar bovendien betwist.
Op de werkvloer bij Platform31 werden vergelijkbare punten van kritiek en zorg geuit. Het adviesrapport doet denken aan het ‘Mondiaal Ondernemend’ scenario uit de Ruimtelijke Verkenningen van het Planbureau van de Leefomgeving uit 2023. https://www.pbl.nl/publicaties/vier-scenarios-voor-de-inrichting-van-nederland-in-2050 1 Hoewel het Wennink Rapport in de kern een economische strategie is, en geen brede maatschappelijke visie, ligt de nadruk sterk op verdienvermogen en niet op maatschappelijke missies waar de economie ondersteunend aan zou moeten zijn.
Streven we een economie na die vooral winstgedreven is, of kiezen we als samenleving liever voor een waardegedreven economie? In het besef dat een adviesrapport geen oneindige reikwijdte kan hebben, zien we het als een gemis dat het rapport weinig aandacht besteedt aan de beleidsmatige spanning die ontstaat bij een focus op het stimuleren van een ‘hoogwaardige, competitieve’ economie. Die focus herbergt immers het risico dat er minder aandacht en zorg wordt besteed aan de ‘groene’, ‘sociale’ of ‘betekeniseconomie’. Terwijl dit aantoonbaar bijdraagt aan sociale inclusie, gezondheid en leefbaarheid, vooral in kwetsbare wijken en grensregio’s die minder ‘strategisch relevante’ economische sectoren herbergen. Hoe verhoudt de visie in dit rapport zich tot de adviezen uit Elke regio telt? https://www.rli.nl/publicaties/2023/advies/elke-regio-telt 2
Waar het rapport de klimaatdoelstellingen serieus neemt, worden ecologische vraagstukken zoals biodiversiteit, of lucht- of waterkwaliteit hooguit zijdelings genoemd. Juist dit spanningsveld – het afwegen en afruilen tussen strategische economische en industriële belangen enerzijds en duurzaamheid, ecologie, leefbaarheid anderzijds – is wat mij betreft essentieel voor het publieke debat waar we als samenleving heen willen. Met aanvullend daarop ook aandacht voor sociale en economische inclusie en gelijke kansen binnen én tussen regio’s, om verdere sociaal-maatschappelijke tweedeling te voorkomen.
Met andere woorden: het is een gemiste kans dat het denken in termen van brede welvaart niet serieuzer in het rapport is meegewogen. Wij signaleren namelijk dat zowel bij provincies als bij gemeenten, ook binnen de afdelingen Economische Zaken, hier wel steeds serieuzer aandacht aan besteden. Een gezonde bevolking en leefomgeving zijn immers óók basisvoorwaarden voor een goed vestigingsklimaat.
Ondanks deze bedenkingen bevat het rapport zonder meer een aantal terechte en prikkelende boodschappen. We kunnen onze ogen niet sluiten voor wat er in de wereld gebeurt, en in die hoedanigheid is het inderdaad van belang om goed na te denken over hoe we zo ‘strategisch relevant’ mogelijk kunnen zijn. Hier hoort ook een scherpe ruimtelijk economische visie bij. In zijn rapport benadrukt Wennink het belang van innovatie-ecosystemen zoals bijvoorbeeld de campussen van (technische) universiteiten. Bovendien laat het rapport zien (bijvoorbeeld in figuur 4.2 op pagina 82) dat meerdere steden en regio’s in het land activiteiten huisvesten die over groeipotentieel beschikken.
Vanuit Platform31 zijn we actief bezig met vergelijkbare ruimtelijk economische vraagstukken en verkenningen: op dit moment zijn wij betrokken bij de verkenning voor een nieuwe City Deal vanuit Agenda Stad over het optimaliseren van Kennissteden en Innovatie-Ecosystemen. Hierin benadrukken wij dat niet alleen de topcampussen relevant zijn voor de doorontwikkeling van groeimarkten en sleuteltechnologieën, maar juist ook steden met HBO- en MBO-kennisinstellingen en een sterke vertegenwoordiging van maak- en productiebedrijven.
Vanuit onze betrokkenheid bij de Actieagenda MKB-Dienstverlening leveren we een bijdrage aan het versterken van de regionale ecosystemen die het mkb ondersteunen om fit te blijven voor de toekomst. Verder starten we dit jaar met een verkenning voor het G40-stedennetwerk over doelgericht stimuleren van de economie, voortbouwend op onze algemene trendstudie ‘Keuzes maken in tijden van spanning en schaarste’. Ook zijn we sinds 2022 inhoudelijk en organisatorisch betrokken bij het REOS-netwerk. Daarin gaan strategen vanuit verschillende overheidslagen in collegiaal overleg over een gedeelde langetermijnvisie en missiegerichte economische samenwerking.
De verantwoordelijkheid om het Nederlandse verdienvermogen te versterken en tegelijkertijd oog te houden voor mens en milieu ligt niet enkel bij het Rijk. Centrale sturing is nodig, maar lokaal en regionaal moeten we ook de juiste keuzes maken. Dat betekent prioriteiten stellen en onvermijdelijke ‘afruilen’ accepteren. Regio’s moeten verder kijken dan het eigenbelang en zich richten op hun unieke bijdrage aan de regio en binnen het nationale en zelfs Europese stedelijk netwerk.
Ons Platform31-netwerk kan het rapport Wennink gebruiken als aansporing – niet alleen om de eigen economische agenda’s aan te scherpen, maar vooral om dat te doen met een integrale blik. Dan verbinden we economische groei met duurzame ontwikkeling en inclusieve welvaart – iets waar Platform31 voor staat.