Corporaties zien snelle kansen voor beter benutten van hun woningbezit
Ze kunnen in de komende tien jaar 170.000 extra woonruimten realiseren door optoppen, hospitaverhuur, woningdelen en -splitsen.
Dit opiniestuk verscheen op 22 april in de Volkskrant.
Gemeenten hebben een wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders, maar 70 procent haalt die niet Huisvestingstaakstelling 2025-I Vergunninghouders 1 . Daardoor houden mensen die inmiddels een verblijfsstatus hebben gekregen, bedden in azc’s bezet, die bedoeld zijn voor nieuwe asielzoekers. Dat zijn er maandelijks ruim 3.000, berichtte de Volkskrant op 15 april.
Huisvesting voor statushouders concurreert direct met die voor andere woningzoekenden. Zolang er geen alternatieven zijn, blijft het beleid van voorrang voor statushouders bestaan. Die voorrang levert onvrede op. Uit SCP-onderzoek (2025) Migratie als spiegel van maatschappijbeelden 2 blijkt dat twee derde van de Nederlanders geen begrip heeft voor deze voorrang; slechts 10 procent vindt die terecht.
Het probleem zit niet alleen in het tekort, maar ook in het type woningen. De Nederlandse woningvoorraad bestaat vooral uit gezinswoningen, terwijl de meeste woningzoekenden alleen zijn of met twee. Aedes, de vereniging van woningcorporaties, houdt cijfers hierover bij. Circa een derde van de vrijkomende eengezinswoningen gaat naar alleenstaanden, en nog eens bijna een kwart naar stellen zonder kinderen.
Deze woningverdeling geldt ook voor statushouders, veelal jongeren onder de dertig, blijkt uit cijfers van het COA Nauwelijks woningen voor alleenstaande asielzoekers met verblijfsvergunning 3 . Ook zij krijgen, net als andere alleenstaande woningzoekenden, regelmatig een zelfstandige (gezins)woning toegewezen Iets meer corporatiewoningen naar statushouders 4 . Dat is inefficiënt, onnodig en voedt wrevel bij andere woningzoekenden.
Voor veel alleenstaande statushouders is woningdelen een passende tussenoplossing — zeker vergeleken met een langer verblijf in een azc. Dat laatste vergroot de behoefte aan meer opvanglocaties, terwijl de maatschappelijke weerstand daartegen groot is, zoals de recente gemeenteraadsverkiezingen lieten zien.
Woningdelen is geen noodoplossing, maar slim en verantwoord voorraadgebruik. Meer mensen worden sneller geholpen, het bevordert sociale contacten en het kan integratie versnellen. Delen kan met andere statushouders, maar ook gemengd met studenten of starters — vrijwillig en met zorg voor passende matches. Een goede ‘klik’ is essentieel; je deelt tenslotte je huis.
Bezwaren zoals overlast en weerstand van omwonenden zijn reëel, maar niet uniek. We accepteren die ook bij studentenhuizen en friendscontracten. Waarom hier dan niet? Enkele gemeenten en provincies experimenteren inmiddels met woningdelen voor statushouders. Het Rijk stimuleert dit tijdelijk met subsidies Huisvesting statushouders 5 , inclusief mogelijkheden voor sociaal beheer, om overlast te voorkomen en een goede mix te waarborgen.
Onderzoek van Platform31 uit 2024 laat zien dat als woningcorporaties tien jaar lang slechts 4 à 5 procent van hun woningen inzetten voor woningdelen door alleenstaanden, circa 60.000 woningzoekenden extra geholpen kunnen worden. Dat is geen marginale ingreep, maar een structureel effect. Het vraagt wel om gezamenlijke actie: minder belemmerende lokale regelgeving (gemeenten), langere stimuleringsregelingen (Rijk) en aangepaste woningtoewijzing (corporaties en gemeenten). Er zijn inmiddels de nodige handreikingen met praktische kennis, voorbeelden en handvatten.
Een eengezinswoning of ruime flat verhuren aan twee of drie alleenstaanden is iets fundamenteel anders dan een gemengd-wonencomplex. In zulke complexen wonen tientallen tot soms honderden mensen met uiteenlopende achtergronden samen in één gebouw, met een eigen kamer en gedeelde voorzieningen. Van dit type bestaan inmiddels ruim 160 complexen, die doorgaans goed functioneren. Begin 2026 kwam daarop een pijnlijke uitzondering in het nieuws In Amsterdam ging het mis tussen samenwonende jongeren en statushouders – is dat tekenend? 6 : Stek Oost in Amsterdam, waar ernstige problemen speelden en waarop onvoldoende werd gereageerd.
Voor succesvol gemengd wonen complexen zijn enkele randvoorwaarden essentieel: selectie aan de poort, gemotiveerde bewoners, voldoende aandeel ‘dragende’ bewoners, goed sociaal beheer en de mogelijkheid tot uitplaatsing bij wangedrag. Je wilt bewoners die graag mét anderen wonen en dat ook aankunnen. In Stek Oost ontbraken deze voorwaarden, maar in veel andere complexen wordt hier zorgvuldig op gestuurd. Bij woningdelen liggen die voorwaarden vanzelf al gunstiger; het gaat immers om een enkele woning.
Maak woningdelen de norm voor jonge alleenstaande woningzoekenden, of ze nu uit Afghanistan, Amersfoort of Appingedam komen. Wie bereid is te delen, zou sneller geholpen moeten worden, terwijl de inschrijftijd gewoon doorloopt: je woont terwijl je wacht, werkt aan je integratie en bouwt lokale contacten op.
Dat is eerlijker, efficiënter en vermindert maatschappelijke onrust over volle en nieuwe azc’s. Het verzacht bovendien het gevoel van onrechtvaardigheid dat bij veel woningzoekenden leeft.
Laat statushouders en andere jonge woningzoekenden samen de eerste stap in hun wooncarrière zetten, voor wie dat wil. Woningdelen is geen noodgreep, maar een volwassen antwoord op de woningnood en opvangdruk. Wat nu nodig is, is politiek en bestuurlijk lef: bij het Rijk, gemeenten en woningcorporaties, om samen woningdelen tot norm te maken.