Licht in de samenwerking, hard in de uitvoering

Advies van de Wetenschappelijk Board van Platform31 aan de U10

De behoefte aan regionale samenwerking blijkt in ons land hardnekkig. Nog tijdens het opheffingsproces van de stadsgewesten ontstonden op vele plekken alweer nieuwe samenwerkingsverbanden, zoals rond Amsterdam, Rotterdam-Den Haag en Utrecht. Wat kunnen we leren van de verschillende vormen van regionaal samenwerken? Hoe kunnen we slim samenwerken? En wat is het belang van flexibiliteit hierin?

In de Wetenschappelijke Board van Platform31 ontmoeten wetenschappers en praktijk elkaar rondom urgente thema’s. Minimaal twee keer per jaar buigen wetenschappers uit de board zich over actuele thema’s en voorzien ze die van multidisciplinaire reflecties. Afgelopen periode werd het thema regionale samenwerking onder de loep genomen. Hoe stressbestendig zijn de ‘moderne’ vormen van samenwerking? Wat werkt wel en juist niet? En hoe leren we ‘meer te dansen door de schalen’.

Netwerksamenwerking U10

Er zijn vele vormen van regionale samenwerking op verschillende schaalniveaus en in allerlei domeinen: van triple helix tot multi level-samenwerking. Dat maakt samenwerken een complex vraagstuk waarover gezamenlijk feitenonderzoek is gewenst. Door samen op te trekken met professionals uit de praktijk wil de Wetenschappelijke Board van Platform31 haar theoretische inzichten vertalen naar een praktisch advies. In een eerste discussienotitie werden daarom twee voorbeelden van regionale samenwerkingen verder uitgediept op basis van twee uitgebreide casebeschrijvingen van Joost van Hoorn en Anne-Marie Rijssenbeek, projectleiders bij Platform31: de netwerksamenwerking U10 in de regio Utrecht en regionale samenwerking in Zuid-Kennemerland rondom passend onderwijs & jeugdhulp.

Mede dankzij de wetenschappelijke reflectie van Ewald de Bruijn, onderzoeker Faculty of Social Sciences Erasmus University Rotterdam, brachten de wetenschappers het onderwerp vervolgens inhoudelijk nog een extra stap verder. In het praktijkadvies van professor Geert Teisman, voorzitter van de Wetenschappelijke Board, spitste hij het onderwerp toe op de regionale samenwerking in de regio Utrecht.

Dansen door de schalen

In het praktijkadvies beschrijft Teisman dat de behoefte aan regionale samenwerking sterker lijkt dan het verlangen ‘het huis van Thorbecke’ te beperken tot drie schaalniveaus: Rijk, provincie en gemeenten. De schaal waarop Nederlandse regio’s samenwerken is veel meer toegespitst op specifieke vraagstukken, zoals gaslevering, drinkwater, arbeidsmarkt of openbaar vervoer. Tegelijkertijd blijken die vraagstukken, evenals de regiogrenzen, helemaal niet zo eenduidig en aan veranderingen onderhevig. Teisman beschrijft in zijn advies daarom het belang van flexibiliteit in regionale samenwerking, oftewel: ‘meer dansen door de schalen’.

Institutionalisatiedrang

Dit dansen verhoudt zich alleen niet zo goed tot harde samenwerkingsverbanden die vaak kenmerkend zijn voor veel bureaucratische organisaties en waarbij de discussie niet meer gaat over wat partijen onderling bindt, maar wie waarover gaat. In de praktijk leidt dit vaak tot strikte taakverdeling en gescheiden bevoegdheden en verantwoordelijkheden, waar de aandacht verschuift van ‘wat ons bindt’ naar ‘hoe functioneren samenwerkende steden als een organisatie’. Daarmee brokkelt het bindend vermogen naar de achterbannen af. De onderlinge samenwerking transformeert geleidelijk tot een nieuwe bestuurslaag en verliest daarmee toegevoegde waarde. In dit licht roept het Wetenschappelijke Board op om opnieuw naar de inhoud te gaan en te kiezen voor lichtere vormen van samenwerking, naar het voorbeeld van de regio Zwolle: veel samenwerking en weinig bureaucratie.

Lichte samenwerking

Overigens lijkt het erop dat de nieuwe samenwerking in de regio Utrecht, getiteld als de U10, een vergelijkbaar pad bewandelt. In deze regio is namelijk sprake van een lichte samenwerking waarbij het gezag belegd blijft bij de gemeenteraden en besturen van de afzonderlijke steden. Via dialoogtafels komen thema’s van potentiele samenwerking aan bod, waardoor besluiten regionaal beter worden gedragen in de regio dan voorheen. Bovendien is de U10 flexibel in haar begrenzing: het aantal gemeenten dat per thema samenwerkt, wisselt. Het beslisrecht daarentegen blijft bij de afzonderlijke gemeenteraden en besturen. Punt van aandacht is volgens de Wetenschappelijke Board de vraag: wat te doen als het spannend wordt?

Kennisontwikkeling en -uitwisseling

Lichte samenwerking werkt namelijk zolang kennisontwikkeling en –uitwisseling centraal staan en gemeenten met elkaar kunnen leren hoe ze de regio sterker maken. In de praktijk zien de wetenschappers helaas maar al te vaak dat het ‘wie waarover gaat’ het na verloop van tijd wint van ‘wat partijen onderling bindt’. Dat is jammer, want investeringen en acties die uitstijgen boven het belang van één gemeente, leveren meer op dan de individuele acties opgeteld. Maar wie levert uiteindelijk welke inzet? En met welke middelen? Deze vraag speelt ook in de U10. Gemeenten die zich inzetten voor een gezamenlijke actie voor de hele regio, zien hun inspanningen nu eenmaal niet altijd direct terug in hun eigen gemeente.

Programmatische samenwerking

Een mogelijke oplossing zit ‘m in programmatische samenwerking. Volgens Teisman en zijn collega’s van het Wetenschappelijke Board ligt daar de bron van samenwerking en de vernieuwing. De bindende factor moet altijd de boventoon voeren. Daaronder ontstaat ruimte voor tijdelijke arrangementen waarin partijen, geld, commitment en andere middelen zijn vastgelegd in een heldere en onderling geaccordeerde scope en met duidelijk leiding. Al blijft het natuurlijk ook dan de kunst om ervoor te zorgen dat deze harde projecten niet de kern, maar het uitvoeringsverhikel van de samenwerking worden.

Presentatie

Op verzoek van het regionale netwerk U10 werd het advies op 4 oktober gepresenteerd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de colleges van B&W. Het advies is weliswaar specifiek toegespitst op de U10, het is ook een waardevolle bijdrage aan meer praktijk-aanpakken die regionale samenwerking een stap verder brengen.