Stenen én mensen, een grote stap naar voren
Dit essay pleit voor een andere rol van woningcorporaties in het verbeteren van gezondheid en welzijn.
“Het aantal mensen dat niet altijd vanzelfsprekend zelfstandig kan wonen stijgt in onze buurten. En tegelijkertijd zien we een systeem van zorg en welzijn dat onder druk staat en onvoldoende aansluit op de uitdagingen van nu”, vertelt Jacoline Jansen, programmaleider veerkrachtige wijken bij woonbedrijf ieder1. “Daarom willen de gemeente, woningcorporaties en lokale zorg- en welzijnsorganisaties hier anders denken, doen en organiseren. De ambitie is om samen een duurzaam vitale wijk te creëren, waarin bewoners zelf de regie hebben en professionals aansluiten bij wat zij nodig hebben.”
In de meeste wijken zijn talloze organisaties en mensen aan het werk. Maar hun aanbod is versnipperd en niet op elkaar afgestemd. Jansen: “Bewoners met een hulpvraag lopen vaak vast tussen het kastje en de muur. Huishoudens met verschillende hulpvragen op meerdere terreinen krijgen veel hulpverleners over de vloer. Dit is niet effectief, het kost de samenleving veel geld en legt veel druk op het schaarse zorgpersoneel.”
In Zutphen zien organisaties dat het ook anders kan. Samen met bewoners startten zij daar met een veranderaanpak naar een aanbod dat is ingericht met, door en voor inwoners. “Bewoners krijgen meer regie over hun leven en de ondersteuning die zij krijgen”, vertelt Jansen. De samenwerkende organisaties gebruiken daarbij de Samenwerkwijze. Ook stoppen professionals met bewoners naar elkaar doorverwijzen, maar blijven ze met elkaar in contact, en betrekken ze collega’s als dat nodig is om bewoners goed te kunnen helpen.
Annemieke Ackermans is netwerkcoördinator voor de Zuidwijken. Zij vertelt waarom de gebiedsgerichte aanpak is gestart: “We beginnen nu in de Zuidwijken. Dat is gemiddeld genomen niet de meest kwetsbare wijk van Zutphen, maar er zijn grote verschillen in problematiek binnen de wijk.” Jansen vult aan: “Op wijkniveau kun je elkaar als bewoners en professionals goed leren kennen en samen verantwoordelijkheid nemen. Zo kun je een hecht netwerk opbouwen.” In Zuidwijken werken professionals momenteel op meerdere niveaus samen aan verandering:
De Samenwerkwijze beschrijft hoe bewoners en professionals met elkaar samenwerken. Het uitgangspunt van deze werkwijze is dat de bewoner altijd de regie houdt. Samen met de professional bespreken bewoners eerst wat zij zelf willen en kunnen doen, en daarna pas wat zij nodig hebben van anderen. “We passen de werkwijze ook toe in situaties die meerdere bewoners raken”, vertelt Ackermans. “Bijvoorbeeld in een flat waar veel ouderen wonen: daar kijken we met bewoners hoe zij er meer voor elkaar kunnen zijn, en of we de noodzakelijke professionele zorg beter kunnen samenvoegen. Ook dan kijken we vanuit de Samenwerkwijze naar wat de bewoners zelf willen, en naar wat mensen ook voor elkaar willen betekenen.” De Samenwerkwijze biedt dus een praktische methode voor professionals, en geeft bewoners weer de regie terug over hun eigen leven.
Hoe gaat dat in zijn werk? Ackermans: “Wij zeggen altijd: hoort het of helpt het? Oftewel: bieden we iemand hulp omdat het zo hoort, of omdat het ook echt werkt voor bewoners?” Jansen vult aan: “Als blijkt dat hulp niet werkt, dan verwijzen we mensen niet zomaar door naar een ander, maar halen we er een partner bij.” Professionals laten de bewoner dus niet los. “Dat betekent dat het voor een bewoner niet uitmaakt aan wie zij de vraag stellen, omdat er goede afstemming is tussen de organisaties.” Medewerkers van verschillende organisaties in de Zuidwijken hebben regelmatig contact met elkaar, bijvoorbeeld tijdens ontwikkelmiddagen of casusoverleggen.
Werken vanuit de vraag van bewoners vereist dat organisaties ruimte creëren voor collega’s om tijd te hebben voor het gesprek, goed te luisteren, en om door te kunnen vragen, ziet Ackermans: “Een voorbeeld is dat een WMO-consulent de vrijheid heeft om te doen wat nodig is om de situatie helder te krijgen. Door bijvoorbeeld drie keer met de bewoner te spreken – normaal gesproken maar één keer – werd duidelijk dat de bewoner niet méér, maar juist minder huishoudelijke ondersteuning nodig had en dat ze meer contact kreeg met de buren. Zo levert de ruimte voor professionals om die extra stap te zetten op termijn juist een besparing op.”
De overstap van de oude, gefragmenteerde manier van werken naar de netwerksamenwerking en Samenwerkwijze, is een complexe transitie. Daarom is de werkwijze in de Zuidwijken ingericht als een lerende wijkaanpak. “Er is kennis, tijd en organisatiekracht nodig om de Samenwerkwijze voor iedereen te laten werken”, vertelt Ackermans. “Elke drie weken vindt er daarom een leermiddag plaats. Daar leren medewerkers van verschillende organisaties samen bij over de Samenwerkwijze. Ook is er ruimte voor intervisie. Professionals kunnen er terecht met leervragen over hun eigen rol.”
Samen leren helpt enorm bij het bouwen aan een netwerksamenwerking, ziet Jansen: “Goede samenwerking vraagt dat we elkaar goed leren kennen en vertrouwen. Grappig is dat ik bijvoorbeeld mijn evenknie bij de gemeente nu ‘collega’ noem. En de collega’s van de zorgorganisatie spreek ik soms vaker dan mijn collega’s bij ieder1. Dankzij de leerbijeenkomsten begrijpen we elkaars wereld nu steeds beter.”
Het anders denken, doen en organiseren, kortweg de ADDO-methode, en de samenwerkwijze waarop de Zutphenaren zich baseren, werden ontwikkeld in de Proeftuin Ruwaard.
In deze netwerksamenwerking erkennen de deelnemende organisaties dat niemand de problemen in de wijk alleen kan oplossen. Ook zien ze de gelijkwaardige samenwerking tussen bewoners en professionals als cruciale factor.
Uitkomsten
Uit evaluaties blijkt dat de aanpak in Ruwaard leidt tot onder meer flexibelere en efficiëntere ondersteuning en tot gebiedsgerichte samenwerking en financiering. De leerstructuur leidt tot gedeeld eigenaarschap en een sterke sociale infrastructuur. Goede begeleiding, voldoende tijd voor en gelijkwaardige samenwerking zijn belangrijke randvoorwaarden voor succes.
Bijzonder aan de Zutphense aanpak is dat professionals uit alle lagen van de organisaties meedoen. Niet alleen diegenen die met bewoners spreken, casemanagers en wijkprofessionals, maar ook beleidsmedewerkers en bestuurders.
De beweging startte in Zutphen bij een aantal gemotiveerde bestuurders. Ackermans: “De toenmalige Zutphense wethouder, Eva Boswinkel, was de echte drijvende kracht, zij zag hoe het anders kon. Toen de bestuurders van de gemeente, corporatie en welzijnspartij Perspectief elkaar hadden gevonden, werd de rest in gang gezet.” Daarna haakten steeds meer partijen haakten aan: “In werksessies onderzochten we met uitvoerders én leidinggevenden hoe zij het liefst willen werken en hoe we de samenwerking konden inrichten.”
Maar een transitie gaat nooit van een leien dakje. Er was al snel een heldere richting, maar de weg daarheen was niet meteen duidelijk. Dat levert soms wrijving op, ziet Jansen: “Je weet niet altijd wat het eindpunt is en wat het oplevert. Dat is soms wel spannend. Maar zeker is: als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg.” Daarbij is het nodig om de organisatiebelangen soms los te laten en te sturen op de gezamenlijke doelen en de behoeften van wijkbewoners: “Dus niet: wat heeft mijn organisatie eraan? Maar: wat heeft de bewoner eraan?” Dat schuurt soms.
Als een van de twee netwerkcoördinatoren voor de Zuidwijken breidt Ackermans het netwerk uit, stimuleert zij het gezamenlijke leerproces en houdt zij iedereen op koers gedurende de transitie. “Als een soort buitenboordmotor voor de samenwerking”, vertelt ze. Ackermans neemt veel ervaring mee uit de Proeftuin Ruwaard in Oss (zie kader). De netwerkcoördinatoren steunen het netwerk bij verschillende ontwikkelingen, zoals het implementeren van de Samenwerkwijze, maar ook met het ondersteunen van bewonersinitiatieven en gemeenschapsopbouw via de ABCD-methode.
De deelnemende organisaties kennen daarnaast ook hun ‘binnenboordmotoren’: mensen zoals Jansen. “Binnen het woonbedrijf zorg ik ervoor dat de organisatie goed meedoet met de samenwerking in Zuidwijken, maar andersom probeer ik ons interne proces ook aan te passen aan de nieuwe werkwijze.” Jansen faciliteert haar collega’s om de Samenwerkwijze te omarmen, bijvoorbeeld door scholing: “Sommige collega’s werkten al wijkgericht, maar nu moeten andere afdelingen zoals beheer en vastgoed hier ook in mee.”
“Het is spannend om van de ambitie naar een aanpak te gaan”, merkt Jansen op. “Iedereen staat achter de werkwijze, en toch zoekt iedereen naar hoe je het in de praktijk uitvoert. Durf ik het als corporatie aan dat andere organisaties zich met ons werk bemoeien? Of neem het voorbeeld dat de huismeester niet meer alleen klusjes in het gebouw doet, maar ook steeds meer welzijnstaken oppakt. Bijvoorbeeld door een luisterend oor te bieden of een eenzame bewoner aan een wandelgroep te koppelen. Hoe zorgen we dat partners ook hun verantwoordelijkheid blijven voelen?”
Maar waar het schuurt, ligt ook een kans om het gesprek te voeren en samen te leren. Jansen: “De ambities zijn groot, maar je moet klein doen. Begin met elkaar te leren kennen of samen een concrete casus op te pakken. Dat geeft energie.” Tot slot concludeert Jansen dat het handelingsperspectief van professionals nu al enorm is uitgebreid: “Doordat we met zoveel partijen samenwerken, kunnen we veel beter ingaan op de behoeften van bewoners.”
In het experimentenprogramma Stenen én mensen gaan we op zoek naar wat een woningcorporatie, in samenwerking met haar partners, kan doen om de bestaanszekerheid, leefomstandigheden en het sociaal kapitaal en daarmee de gezondheid van huurders te verbeteren. Tien corporaties gaan ieder aan de slag met doorbraken op deze drie factoren die leiden tot een ombuiging van gezondheidsachterstanden. Het experimentenprogramma stut en steunt deze corporaties en hun partners in hun pilot.