Terugkerende dilemma’s

In de ontwikkeling van de stedelijk vernieuwing sinds het midden van de vorige eeuw, tekenen verschillende discussies en dilemma’s zich in golfbewegingen af. Ook in het huidige tijdsgewricht lijken deze noties weer relevant.

  • Vernieuwen we voor de huidige bewoners met behoud van fysieke en sociale structuren, of richten we ons op verbetering van de buurt, met herstructurering en differentiatie als belangrijkste pijlers?
    In de wetenschap woedt het debat voort over zin en onzin van het werken aan gemengde wijken. Hard wetenschappelijk bewijs dat bewoners gebaat zijn bij sociale menging is, zo blijkt ook weer uit de dissertatie van Emily Miltenburg (2017), moeilijk vindbaar. Wel zijn er aanwijzingen dat het mengen van bewonersgroepen door herstructurering positieve effecten op de wijk heeft. Uit eerder onderzoek weten we dat menging bijdraagt aan verbetering van de gemiddelde sociaaleconomische status van bewoners, van het gemiddelde inkomen en van de kwaliteit van de woningvoorraad. En dat het positieve invloed heeft op de objectieve en subjectieve veiligheid, op het wederzijds begrip tussen bevolkingsgroepen en op de uitstraling en reputatie van wijken. Een recente studie van de VU laat zien dat de aanpak van de Vogelaarwijken tussen 2008 en 2012 resulteerde in hogere WOZ-waarden dan in wijken die niet zijn aangepakt. Inzetten op menging vraagt, kortom, om precisie. Beleidsmakers moeten heel goed nadenken worden over het wat, wie, waarom en hoe van sociale menging.
  • Moeten we wijkgericht werken en investeren, of moeten we de oplossingen zoeken (en dus investeren) op een hoger schaalniveau?
    Wijken zijn weliswaar vaak de vindplaats van problemen op het terrein van leefbaarheid, veiligheid en sociaaleconomische achterstanden, maar de oorzaken liggen vaak op andere schaalniveaus. Voor het oplossen van alle sociale problemen en leefbaarheidstekorten in kwetsbare wijken schiet een gebiedsgerichte aanpak dan ook tekort. Daarvoor is een complex pakket aan programma’s nodig, bestaande uit een combinatie van mensgericht beleid en gebiedsgericht beleid. Het eerste type beleid richt zich op het generiek ondersteunen van mensen, onder meer via scholing, arbeidsmarkt- en integratiebeleid. Het tweede type beleid helpt mensen indirect via het verbeteren van het gebied. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is het ideale wijkbeleid zowel mens- als gebiedsgericht. Het vinden van samenhangende oplossingen vraagt om integraal werken op alle schaalniveaus, om (regionale) afstemming en om bestuurlijke vernieuwing. Dit kan uiteenlopende vormen aannemen, van gezamenlijke projecten of stedenbanden tot regio- of city deals.
  • Vernieuwen we kleinschalig, van onderop mét de huidige bewoners, of grootschalig en gecentraliseerd (top-down)?
    Na twee decennia van grootschalige, planmatige wijkvernieuwing met strakke beleidskaders en financiering van bovenaf (GSB/ISV), zagen we een radicale omslag. Fysieke wijkvernieuwing kwam grotendeels tot stilstand, gemeenten legden zich toe op de aanpak van sociale problemen achter de voordeur. Bij gebrek aan slagkracht van overheden, woningcorporaties en andere wijkpartners was veel hoop gevestigd op de inzet van bewoners. Onder de vlag van ‘stedelijke vernieuwing op uitnodiging’ kregen burgers de ruimte om wijkvernieuwing aan te jagen. Lokaal is geëxperimenteerd met nieuwe vormen van samenwerken en samen financieren. Met wisselend succes. Op veel plaatsen kwamen bottom-up initiatieven tot bloei, maar een brede leefbaarheidsimpuls bleef uit. Initiatieven van onderop zijn vaak kleinschalig en kwetsbaar. Bovendien sluiten ze niet altijd aan op de opgaven en problemen die instituties signaleren. Mede daarom heroriënteren veel gemeenten zich op een wijkgerichte aanpak. De tijd zal leren of de noodzaak om ‘van het gas af te komen’ voor een nieuw grootschalig wijkgericht stedelijk vernieuwingsprogramma zal zorgen.
  • Werken we effectief van sectorale doelen, of verbinden we doelen en belangen in een sectoroverstijgende, integrale aanpak?
    Ten tijde van het GSB/ISV is veel energie gestoken in het verbinden van de pijlers fysiek, sociaal en wijkeconomie. Hoewel er successen zijn geboekt, kwam de samenhang tussen sectorale investeringen ook toen vaak moeizaam tot stand. Bezuinigingen en elkaar snel opvolgende beleidswijzigingen werkten na de beëindiging van het wijkenbeleid verkokering en territoriumdrift op lokaal niveau in de hand. Gemeentelijke diensten, woningcorporaties, maatschappelijke organisaties en bewonersgroepen richtten zich primair op hun eigen belang en handelingsperspectief en deze tunnelvisie ging ten koste van de aandacht voor het functioneren van de wijk als systeem.
    Met de hernieuwde aandacht voor de wijkaanpak wordt ook het belang van een integrale aanpak opnieuw erkend. Meerwaarde, voor zowel de wijk als voor haar bewoners, kan alleen worden gerealiseerd door verder te kijken dan sectorale doelstellingen. En door de complexiteit van deze opgave te omarmen. Door problemen en knelpunten te verbinden met de andere opgaven en ontwikkelingen, kunnen belangen en ambities worden gekoppeld en interactie-effecten worden gerealiseerd. Integraal werken betekent niet alles met alles verbinden en iedereen overal bij betrekken. Het gaat er vooral om dat alle partijen hun eigen taken zo goed mogelijk uitvoeren, en daar waar nodig afstemming zoeken met andere wijkpartners. En het betekent verder kijken dan je eigen doelstellingen. Alleen dan kan gezamenlijk meerwaarde worden gecreëerd.
  • Zijn er rijksgelden of andere vormen van rijksbetrokkenheid nodig bij stedelijke vernieuwing, of kunnen lokale stakeholders wijkvernieuwing op eigen kracht oppakken?
    Net als eind jaren tachtig in de nota Belstato, verklaarde het Rijk in 2015 dat de steden en woningcorporaties op eigen kracht moesten zorgdragen voor het onderhoud van de bestaande stad. Opnieuw betekende dit dat de fysieke vernieuwingsmachine vrijwel tot stilstand kwam. Hoewel gemeenten weer meer geld investeren in wijkvernieuwing, ontbreekt de trigger money van Rijkswege. Vooralsnog houdt het Rijk vast aan een positie op afstand, maar nieuwe vormen van financiële Rijksbetrokkenheid dienen zich aan. Vanuit het Programma Aardgasvrije wijken draagt het Rijk in 27 proeftuinen opnieuw bij aan de uitvoeringskosten op lokaal niveau. En ook via Regio Deals zorgt het Rijk in specifieke gebieden voor financiële ondersteuning. Op specifieke beleidsthema’s, zoals de aanpak van ondermijnende criminaliteit, herontdekt het Rijk weer voorzichtig de wijk. Meer dan vroeger ligt de bal bij gemeenten om nieuwe partnerschappen te smeden met organisaties, instellingen én met bewoners.
  • Waar ligt de ondergrens van leefbaarheid?
    Wat opvalt sinds de Wederopbouw, is nagenoeg de afwezigheid van de discussie of we wijken die afglijden aan de markt moeten overlaten, of dat we voortijdig publiek moeten ingrijpen? Partijen in Nederland hebben, anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Groot-Brittannië, altijd gekozen voor de laatste optie. ‘Detroitisering’ is hier geen optie. Het laten vervallen van wijken (‘Verelendung’) totdat zij weer interessant worden voor nieuwe bewonersgroepen en investeerders komt in Nederland nauwelijks voor. Nog steeds bestaat van links tot rechts consensus dat de situatie in wijken als Molenbeek (Brussel) en de Parijse banlieue hier volstrekt onwenselijk is. Decennialang kozen publieke en semi-publieke partijen ervoor om met preventieve investeringen de neerwaartse spiraal van buurten vroegtijdig te doen kantelen.
DSC 0765