Contact

Op deze pagina vindt u informatie over de ontwikkelingen van Mobility Mentoring in Nederland.
Heeft u vragen of interesse? Mail dan naar mobilitymentoring@platform31.nl


deel deze pagina via:


Cijfers

In 2017 hadden volgens SCP-onderzoek 939.000 mensen in Nederland een inkomen onder de armoedegrens, waarbij het niet-veel-maar-toereikendcriterium wordt gebruikt. Dit komt neer op 5,7 procent van de Nederlandse bevolking, een daling ten opzichte van 2013 toen 7,6 procent van de huishoudens in Nederland een inkomen onder armoedegrens hadden. Als norm wordt het niet-veel-maar-toereikendbudget aangehouden. Dit is een norm die gebaseerd is op wat iemand nodig heeft om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien en een minimale buffer heeft voor sociale participatie en ontspanning. Toch zijn niet alle cijfers rooskleurig. Een arm huishouden had in 2017 mediaan gezien 3000 euro per jaar tekort. Dit is gestegen ten opzichte van 2015, toen het tekort mediaan gezien 2700 euro per jaar was. Hoewel het aantal huishoudens dat in armoede leeft dus volgens deze gegevens daalt, stijgt het aantal huishoudens met risico op armoede.

Volgens het CBS hadden in 2018 volgens de nieuwe voorlopige inkomensgegevens 584 duizend van de bijna 7,4 miljoen huishoudens in Nederland een inkomen onder de lage-inkomensgrens, hetgeen overeen komt met een aandeel van 7,9 procent. Daarmee bleef het percentage huishoudens met een laag inkomen voor het derde jaar op rij onveranderd.

Het Nibud geeft aan dat in 2018 – net als in 2015 – één op de vijf huishoudens in Nederland lichte of ernstige betalingsproblemen heeft. Dit komt neer op iets minder dan 1,5 miljoen huishoudens. Iets meer dan de helft heeft lichte problemen (800.000). Het overige deel heeft ernstige problemen (550.000). Hiervan hebben in 2018 95.000 huishoudens zich gemeld bij schuldhulpverlening. 32 procent van de huishoudens met ernstige betalingsproblemen krijgt helemaal geen hulp.

Meer informatie:

Doelgroepen

In de afgelopen jaren zijn er verschillende onderzoeken uitgekomen waarin de armoedesituatie van doelgroepen is genoemd. We lichten de werkende armen, bijstandontvangers, kinderen die opgroeien in armoede en armen met een migratieachtergrond uit.

Werkende armen

In 2017 waren er iets meer dan 666.000 volwassenen met een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Bijna 220.000 van hen hadden betaald werk als belangrijkste eigen inkomensbron. Werkenden vormden dus een derde van de totale groep arme volwassenen.
Binnen de groep arme werkenden was iets meer dan de helft een werkende in loondienst: in 2017 waren er 125.000 werknemers en 95.000 zelfstandigen met een huishoudensinkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Het totale aantal werknemers is echter veel groter dan het totale aantal zelfstandigen in Nederland: ruim 7 miljoen tegenover ongeveer 1,4 miljoen (CBS 2019). Het armoederisico voor werknemers is dus kleiner dan voor zelfstandigen: van alle werknemers is 2 procent arm, van alle zelfstandigen is bijna 8 procent arm.
Het aandeel armen onder de werkenden neemt sinds 2013 af. Dit geldt voor zelfstandigen in ongeveer dezelfde mate als voor werknemers. Van de zelfstandigen was in 2013 iets meer dan 10 procent arm, terwijl het aandeel armen in 2017 net onder de 8 procent bleef. Onder de werknemers nam het armoedepercentage in die periode af van 2,7 procent naar 2,0 procent. Hoewel zelfstandigen dus vaak genoeg schulden kunnen hebben, worden zij nog regelmatig niet toegelaten tot gemeentelijke schuldhulpverlening.

Meer informatie:

Bijstandontvangers

De bijstandsgerechtigden is de tweede grootste groep onder de arme volwassenen. In totaal ging het in 2017 om ongeveer 152.000 personen. Dit was bijna een kwart (23 procent) van de totale groep arme volwassenen. De kans dat bijstandsgerechtigden in armoede verkeren is groot: van alle bijstandsontvangers in Nederland is ruim een derde arm (35 procent).

Overheden ondersteunen deze groep met toeslagen, kwijtschelding van gemeentelijke heffingen en de bijzondere bijstand. Het risico bestaat hierdoor dat deze groep – wanneer ze gaan werken – minder overhouden dan toen ze nog een bijstandsuitkering ontvingen. Dit is de zogenaamde armoedeval.

Meer informatie:

Opgroeien in armoede

In totaal leefden volgens cijfers van het SCP in 2017 ruim 272.000 minderjarigen (0 tot 18 jaar) in armoede. Zij vormden 8,1 procent van de totale bevolking tot 18 jaar. Net als de totale armoede in Nederland, neemt ook de armoede onder kinderen en jongeren af sinds 2013. In dat jaar was 10,3 procent van hen arm: ruim 337.000 minderjarigen. De gevolgen voor wanneer minderjarigen in armoede opgroeien kunnen groot zijn. Naast een risico op de korte termijn op sociale uitsluiting bestaat op de lange termijn ook een verhoogd risico op armoede. Het lijkt dan een vicieuze cirkel. De bestrijding van armoede onder kinderen is dan ook al een aantal jaren een speerpunt van het overheidsbeleid. Het beleid zet vooral in op verbetering van de maatschappelijke participatie en kansengelijkheid van kinderen die in armoede opgroeien. Sinds januari 2017 ontvangen de gemeenten hiervoor jaarlijks 85 miljoen euro extra. Het is de bedoeling dat zij dit geld gebruiken voor voorzieningen die direct ten goede komen aan kinderen in armoede (TK 2018-2019).

Meer informatie:

Armen met een migratieachtergrond

SCP meldt dat van alle arme volwassenen in 2017 (iets meer dan 666.000 personen volgens het niet-veel-maar-toereikendcriterium) had ongeveer de helft een migratieachtergrond (49 procent, 326.000 personen). Van alle volwassen migranten in Nederland was 12 procent arm, terwijl van alle autochtone Nederlanders slechts 3 procent arm was. Niet-westerse migranten zijn vaker arm dan westerse (15 versus 8 procent). Migranten van de eerste generatie hebben een groter risico op armoede dan migranten van de tweede generatie. De eerste generatie niet-westerse migranten heeft een armoederisico van 17 procent, de tweede generatie van 10 procent. Bij de westerse migranten gaat het om respectievelijk 11 en 5 procent. Het grotere risico op armoede onder niet-westerse migranten van de eerste generatie is vooral te wijten aan hun grotere uitkeringsafhankelijkheid. Vooral een arbeidsongeschiktheids- of bijstandsuitkering ontvangen zij vaker dan de tweede generatie. Ook speelt mee dat binnen de eerste generatie niet-westerse migranten meer mensen uit vluchtelingenlanden komen. Van de eerste generatie komt 16 procent uit een vluchtelingenland, van de tweede generatie 6 procent.

Meer informatie: