De instrumenten in de praktijk

De Omgevingswet bestaat uit zes samenhangende kerninstrumenten die worden ingezet voor het beheer van de fysieke leefomgeving:

  1. De Omgevingsvisie
    De Omgevingsvisie is een integrale langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving. Omgevingsvisies worden opgesteld door gemeenten, provincies en het Rijk en werken enkel zelfbindend.
  2. Het omgevingsprogramma
    Omgevingsprogramma’s bevatten beleidsvoornemens, voorwaarden en maatregelen om doelstellingen in de fysieke leefomgeving te bereiken.
  3. Decentrale regels
    De bindende regels voor de fysieke leefomgeving worden bijeengebracht in het Omgevingsplan van gemeenten, de Waterschapsverordening of de Omgevingsvergunning van de provincie.
  4. Algemene rijksregels
    De Algemene rijksregels gaan over activiteiten in de fysieke leefomgeving waarvoor het gewenst is om op nationaal niveau regels te stellen.
  5. Omgevingsvergunning
    De overheid (gemeenten, waterschappen, provincies of het Rijk) toetst of bepaalde activiteiten uitgevoerd mogen worden en onder welke voorwaarden.
  6. Projectbesluit
    De Omgevingswet biedt een algemene regeling voor besluitvorming over projecten met een publiek belang. Dit projectbesluit geldt voor waterschappen, provincies en het Rijk.

Overheden staan voor de uitdaging om hun bestaande instrumenten te vernieuwen. Zo gaan alle gemeentelijke bestemmingsplannen op in één omgevingsplan voor de hele gemeenten. Ook regels uit de huidige Algemene Plaatselijke Verordening (APV) worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Omgevingsvisies vervangen structuurvisies en met het omgevingsprogramma hebben gemeenten een nieuw instrument in handen. Vrijwel alle G40-gemeenten doen momenteel ervaring op met de nieuwe instrumenten. Hoe de kerninstrumenten samenhangen is inzichtelijk gemaakt in de beleidscyclus.

beleidscyclus-omgevinsgwet