2.2. Actieplan Bevolkingsdaling (2009)

Met het eerste Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling: Krimpen met kwaliteit probeerde het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2009 de focus in het denken over krimp te verleggen van ontkenning en bestrijding naar acceptatie. Zowel landelijk als lokaal groeide in de loop der jaren het inzicht dat demografische veranderingen structurele ontwikkelingen zijn. De Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de rijksoverheid sloegen middels dit gezamenlijke actieplan de handen ineen.

Bewustwording

De auteurs van het Actieplan pleitten in de eerste plaats voor meer bewustwording van het probleem en de erkenning dat bevolkingsdaling ‘een onomkeerbaar proces is’. Daarnaast zijn regionale bestuurskracht en de (landelijke) bekostigingsstrategie noodzakelijke randvoorwaarden voor de aanpak van krimp die zo snel mogelijk op orde moeten worden gebracht. De juiste aanpak is daarbij volgens hen gericht op samenwerking binnen regio’s en stelt zich ten doel de ongewenste effecten van krimp te beperken en kwaliteit aan het gebied toe te voegen. De focus verschuift daarmee van degenen die vertrokken zijn en degenen die elders wonen naar de bestaande inwoners en bedrijven: hoe voorkomen we dat zij ook vertrekken? De auteurs benoemen drie inhoudelijke pijlers – wonen, voorzieningen en economische vitaliteit en arbeidsmarkt – en komen samen met de regio’s voor elke pijler met aanbevelingen en acties voor zowel de korte als lange termijn. In de eerste plaats richten zij de aandacht vooral op de topkrimpregio’s Parkstad Limburg, Noordoost Groningen en Zeeuws Vlaanderen. Het beleid in regio’s als de Achterhoek, Midden Limburg en Noord Friesland was meer gericht op het anticiperen op de aanstaande bevolkingsdaling. De acties op de lange termijn richtten zich op een structurele aanpak van krimp, kennisdeling en het krimpbestendig maken van instrumenten, bijvoorbeeld door een meldpunt regelknelpunten op te richten.
Het Actieplan voorzag de volgende rolverdeling tussen de verschillende overheidslagen:

  • Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de aanpak van (negatieve) gevolgen van bevolkingsdaling;
  • Provincies hebben een aanjagende functie en regierol;
  • Het Rijk heeft een inhoudelijke rol en een procesrol. Het Rijk vult dit onder andere in met het programma Bevolkingsdaling waarin zij werken aan agenda- en visievorming en het bevorderen van bewustwording bij regio’s die te maken hebben of krijgen met bevolkingsdaling.

Uit het Actieplan ontstond daarnaast een experimentenprogramma Bevolkingsdaling. Platform31 begeleidde veertien experimenten in krimpregio’s om nieuwe aanpakken te ontwikkelen voor het omgaan met bevolkingsdaling. Veel van deze experimenten hadden betrekking op de woningmarkt of ruimtelijke kwaliteit. Zo was er bijvoorbeeld een experiment gericht op het aanpakken van panden in zeer slechte staat (zgn. ‘rotte kiezen’) in Noordoost-Friesland en een experiment waarin een woningcorporatie in Limburg een nieuwe exploitatiestrategie van complexen heeft ontwikkeld die moet kan leiden tot waardestijging een verbetering van de verhuurbaarheid. Procesinnovatie en een toenemende (bestuurlijke) bewustwording van het probleem waren belangrijke opbrengsten van deze ronde.

Evaluatie Actieplan Bevolkingsdaling (2014)
Het Actieplan heeft ‘de krimp- en anticipeerregio’s vooruit geholpen, in het bijzonder wat betreft bewustwording, agendavorming en samenwerking’. Zo luidde de conclusie van twee beleidsevaluaties uit 2014 (Haartsen, 2014). Het team Midterm Review Bevolkingsdaling adviseerde om een selectie te maken in het aantal krimp- en anticipeergebieden, op basis van het criterium huishoudensdaling. Huishoudensdaling, vaak gecombineerd met andere problematiek, vergroot namelijk de urgentie en zwaarte van de opgaven, aldus het team. Daarmee kwam het aantal krimpregio’s op negen en het aantal anticipeerregio’s op elf. In een aparte evaluatie, specifiek gericht op de activiteiten van ministerie zelf, werd echter een gebrek aan focus gesignaleerd. Die is wel nodig gezien de beperkte financiële middelen in combinatie met de omvang van de opgaven. De auteurs adviseerden deze focus aan te brengen door bijvoorbeeld het aantal regio’s of de fasen in het proces die worden ondersteund te beperken. In de Midterm Review werden namelijk zes fases onderscheiden: bewustwording, visievorming, planvorming, programmering, uitvoering en verankering in de beleidscyclus.