2.1 Terugbrengen van groei

De eerste beleidsfase rondom bevolkingsdaling kenmerkte zich door een nadruk op het ontkennen en het bestrijden van krimp. Het Nederlandse economische en politieke stelsel is gericht op groei en op het vergroten van welvaart. Daardoor leent de reguliere plannings- en begrotingssystematiek zich niet voor het anticiperen op krimp. De uitkeringen uit het gemeentefonds zijn hier een voorbeeld van. Deze zijn gebaseerd op het aantal inwoners. Een krimpgemeente ziet de uitkeringen uit het fonds dus slinken, terwijl de opgaven alleen maar complexer worden. Daarnaast bleek al snel dat publieke en private partijen in krimpgebieden tegenovergestelde belangen kunnen hebben (Visser, A., 2010). Dit illustreren we aan de hand van een vraagstuk op de woningmarkt, een van de meest prominente thema’s in het krimp-dossier.

Gemeenten zijn financieel gebaat bij woningbouw, want dat spekt de kas. Dit vergroot echter de concurrentie op de woningmarkt en dat leidt in een context van afnemende vraag tot leegstand. Woningcorporaties en eigenaren van goedkope koopwoningen zijn hiervan de dupe, omdat zij hun woningen moeilijk verkocht of verhuurd krijgen. Maatregelen gericht op het accommoderen van krimp (zoals sloop en een rem op nieuwbouw) waren lang niet altijd populair bij het electoraat, waardoor er voor gemeentebestuurders een stimulans bestond om juist op groei in te zetten. Ook remt krimp vaak de bereidheid om te investeren. Eigenaar-bewoners vrezen dat zij investeringen in hun woning niet meer terugverdienen, terwijl ook overheden en woningcorporaties hun verdiencapaciteit terug zien lopen. Hier kan een vicieuze cirkel ontstaan, waarin het vertrouwen in de woningmarkt uitholt. Langdurig achterblijvende investeringen hebben echter invloed op de leefbaarheid van een gebied. Gezamenlijke actie door overheden, woningcorporaties, ondernemers, inwoners en anderen is nodig om deze impasse te doorbreken.

Bewustwording is een cruciale voorwaarde voor het ontstaan van gezamenlijke actie. Visser, Uyterlinde en Van Dullemen (2010) onderscheiden, geïnspireerd door het model van rouwverwerking van Kübler-Ross, vijf fasen in het bewustwordingsproces dat partijen in krimpgebieden doorlopen (Visser, A., 2010) :

  • Ontkenning: ‘Nee, dat speelt niet in ons dorp, maar wel bij de buren.’
  • Negeren: ‘Als iedereen boodschappen doet bij de lokale supermarkt, heeft hij nog jaren bestaansrecht’.
  • Bestrijden. Partijen proberen bijvoorbeeld koste wat het kost twee basisscholen in een dorp open te houden, hoewel de prognoses uitwijzen dat het aantal leerlingen hiervoor te klein is.
  • Concurrentie. Dorpen en wijken gaan onderling concurreren door toch extra woningen te bouwen of bedrijven aan te trekken.
  • Acceptatie. Men accepteert het probleem en gaat aan de slag om te voorkomen dat de leefbaarheid verder achteruit gaat.

De auteurs vinden het belangrijk dat niet alleen overheden, maar ook bewoners het probleem accepteren, zodat er draagvlak ontstaat voor oplossingen. Krimp vereist omdenken en dat is ingewikkeld: het vraagt om creativiteit en om anders omgaan met waarde, met draagvlak en met beleidsambities. En dat vergt niet alleen iets van overheden en woningcorporaties, maar ook van ondernemers en inwoners.

Overaanbod

De aanpak van krimp bestond in deze beginfase dus vooral uit pogingen de krimp te keren. Beleidsmakers poogden de daling van het inwonertal in de eigen gemeente tegen te gaan, bijvoorbeeld door meer woningen en bedrijventerreinen te bouwen. Het onderliggende beleidsdoel (het terugbrengen van groei) was op het niveau van de regio echter niet haalbaar. Dit beleid droeg daarom bij aan overaanbod en dus aan een verergering van de problematiek (Hospers, 2010). Uiteindelijk concurreerden de gemeenten om dezelfde doelgroep, waarmee het succes van de een de nederlaag van de ander werd.

Ook de landelijke overheid heeft geprobeerd de krimp te bestrijden. Zij voerde al vanaf eind jaren ‘60 het ‘spreidingsbeleid rijksdiensten’, dat erop gericht was rijksdiensten (zoals de PTT, ABP, het CBS en onderdelen van Defensie) vanuit de overvolle Randstad te verplaatsen naar Groningen, Friesland en Limburg (Vroegindeweij, 1985). Ecorys spreekt in een beleidsevaluatie voor Parkstad Limburg uit 2015 van een ‘te groot geloof in de ontwikkeling van de publieke dienstensector’ (Ecorys, 2015). In tijden van bezuinigingen werden deze banen vaak weer ge-recentraliseerd. Bovendien is een brede verankering van deze rijksdiensten in de regionale economische structuur altijd beperkt gebleven, concludeert Ecorys. Ook heeft het Rijk middelen vrijgemaakt voor specifieke regionale opgaven, zoals voor de economische herstructurering van Zuid-Limburg na de mijnsluitingen. Middels subsidies werden bedrijven verleid zich hier te vestigen. Naderhand hebben onderzoekers geconcludeerd dat de werkgelegenheid die gecreëerd werd te afhankelijk was van subsidies en dat er een mismatch was tussen de hooggekwalificeerde banen en de praktisch geschoolde werkzoekenden (Elzerman, 2015).

van-bestrijden-naar-begeleiden-pbl
studie van PBL (2010)