Kennistraject

Dit kennistraject is een initiatief van het ministerie van BZK en wordt uitgevoerd in een consortium door Antea Group, Rho adviseurs, TNO, Platform31, Rebel Group en Over Morgen.

Resultaten

Introductie

Van januari 2019 t/m maart 2020 heeft het kennis- en leertraject Energietransitie & Omgevingswet gelopen. Doel was gericht op het krijgen van meer inzicht in mogelijkheden voor de inzetbaarheid van instrumenten uit de Omgevingswet door gemeenten voor het halen van hun doelen rond de energietransitie en het maken van afspraken met partijen. Met het uiteindelijke doel om invulling te geven aan de afspraken zoals vastgelegd in het Klimaatakkoord.

In acht gemeenten is aangesloten bij het proces dat zij zelf aan het doorlopen waren voor de energietransitie en de ideeën die zij al hadden m.b.t. de inzet van instrumenten uit de Omgevingswet, variërend van aardgasvrije wijken, tot realisatie van zon en wind, geothermie en duurzame wijken/bedrijventerreinen.

Wat heeft het kennis- en leertraject opgeleverd:

  1. De gemeenten zijn in hun eigen proces een stap verder gekomen en hebben antwoorden gekregen op hun onderzoeksvragen.
  2. Op basis van deze onderzoeksvragen van gemeenten is gekeken in hoeverre de geformuleerde antwoorden generiek zijn en daarmee relevant voor andere gemeenten.

Daarnaast is gebleken dat om tot uitvoering te komen van de energietransitie niet alleen de Omgevingswet mogelijkheden biedt maar ook andere wetgeving belangrijk is. De Warmtewet bevat regelgeving omtrent o.a. warmtenetten. Op grond van de Gaswet dienen netbeheerders bewoners aan te sluiten op het aardgasnet, waarop uitzonderingen worden gemaakt voor nieuwbouw en gebieden waar een warmteplan van toepassing is. Deze wetgeving zal worden aangepast de komende jaren.1 Ook de Mijnbouwwet bevat regelgeving die in het kader van de energietransitie relevant kan zijn, deze wet regelt o.a. het winnen van delfstoffen in de diepe ondergrond en andere aan mijnbouw verwante activiteiten, zoals het winnen van geothermie.

Het kennis- en leertraject is opgezet en uitgevoerd, in opdracht van het ministerie van BZK (directie RO, Aan de Slag en Eenvoudig Beter) door een consortium bestaande uit Antea Group, Rho adviseurs, TNO, Platform31, Over Morgen en Rebel.

De gemeenten die als pilot hebben meegedaan aan het kennis- en leertraject zijn Goes, Den Haag, Zoeterwoude, Maastricht, Boxtel, Groningen, Tilburg en Súdwest-Fryslân. Iedere pilot heeft begeleiding gehad van een door het consortium toegewezen coach.

Een 20-tal gemeenten heeft deelgenomen in een tweede ring. Dit zijn gemeenten die wilden leren van de acht pilotgemeenten. Dit waren: Alphen aan den Rijn, Almere, Capelle aan den IJssel, Clean Tech Delta Regio, Dordrecht, Goeree-Overflakkee, Haarlemmermeer, Heusden, Lansingerland, Leiden, Lisse, Loon op Zand, Middelburg, Nieuwegein, Peel en Maas, Rotterdam, Schiedam, Stichtse Vecht, Veenendaal en Zaanstad.

Door te leren en inspireren via pilotprojecten met concrete / eigen cases is de uitvoeringspraktijk van betrokken gemeenten vertrouwd gemaakt met de rol, de betekenis en de (verwachte) meerwaarde van de Omgevingswet in wisselwerking met de energietransitie. Tevens is voorgesorteerd op afspraken uit het Klimaatakkoord en stappen die straks alle gemeenten moeten zetten in het kader van de Regionale Energiestrategieën (RES).

Hierna volgen de lessen uit de 8 pilots (klik op de kopjes). Vervolgens bespreken we conclusies en aanbevelingen.

Conclusies

In dit traject stond de koppeling tussen de Energietransitie en de Omgevingswet centraal en specifiek de stappen die gemeenten willen zetten met betrekking tot de deelopgaven uit de energietransitie (plaatsen zon en wind, gasloze wijken, warmtenetten in relatie tot geothermie, en realisatie duurzaam bedrijventerrein) en de inzet van instrumenten uit de Omgevingswet om de doelen te halen. Het is uit de pilots duidelijk geworden dat de energietransitie en ruimtelijke ordening verschillende werelden zijn die gekoppeld moeten worden. Niet alleen inhoudelijk, maar ook tussen mensen van verschillende afdelingen.

Er is nog veel in beweging, maar ook al veel mogelijk

Er is nog veel in beweging en de zoektocht staat pas aan het begin. Niet alleen voor wat betreft de energietransitie maar ook met betrekking tot de Omgevingswet. Anderzijds is er ook al op dit moment veel mogelijk om de doelen van de energietransitie te halen door gebruik te maken van de bestaande instrumenten binnen de Ruimtelijke Ordening. Dit laat zien dat de Omgevingswet niet het enige middel is dat voorhanden is. De opties die hier met name uit springen zijn het bestemmingsplan verbrede reikwijdte (onder de Crisis- en herstelwet), en een (meer) programmatische aanpak van de energietransitie (o.a. gebaseerd op de RES en het Klimaatakkoord), als opmaat naar het instrumentarium van de Omgevingswet dat ingaat na 2021 (datum nader te bepalen). Op basis hiervan gaan niet alleen de gemeenten, maar ook het Rijk, provincies en waterschappen visies, plannen en programma’s vaststellen en omgevingsvergunningen verlenen.

Werken vanuit een integrale benadering

Uit de pilots is naar voren gekomen dat de Omgevingswet de kans biedt om een opgave integraal en breed op te pakken, meer dan nu het geval is in de Wet ruimtelijke ordening. Immers niet alleen een goede ruimtelijke ordening staat centraal, maar de gehele fysieke leefomgeving met duurzaamheidsdoelstellingen (denk hier bijvoorbeeld aan de gemeente Boxtel waar men integraal duurzaamheid wil borgen binnen het bedrijventerrein en de gemeente Tilburg waar per wijk wordt gezocht naar een integrale oplossing), waar de energietransitie één aspect van is. De Omgevingswet biedt diverse instrumenten om invulling te geven aan de energietransitie: “Benader de energietransitie dus niet enkel vanuit het energievraagstuk, maar vanuit de gezamenlijke/integrale doelen die je wilt bereiken als gemeente voor een wijk, dorp of bedrijventerrein”.

Continue interactie tussen instrumenten

De natuurlijke volgorde van de Omgevingswet volgt een logische opbouw. Van beleidsontwikkeling (omgevingsvisie) naar beleidsuitwerking (programma’s) naar uitvoering (omgevingsplan, omgevingsvergunning, projectbesluit). Tijdens dit pilottraject is gebleken dat gemeenten redenerend vanuit de opgave/doelen juist continue de interactie tussen de instrumenten opzoeken, zeker nu de noviteit van het Omgevingswet-instrumentarium nog voor aftasten en verkennen zorgt. Er is een wisselwerking nodig tussen de instrumenten omgevingsvisie, programma en omgevingsplan en het doel dat gemeenten voor ogen hebben. De vraag wordt dan immers: welke eigenschappen zoek ik in een instrument om een concreet doel, in dit geval de energietransitie, te bereiken. Tegelijkertijd is wisselwerking nodig tussen de Omgevingswet-instrumenten en de versies van de RES (concept, 1.0, 2.0 en verder).

De meerwaarde van instrumenten geduid

De omgevingsvisie wordt als nuttig instrument gezien om de lange termijnvisie van de gemeente te verduidelijken. Zowel voor warmtetransitie als voor de opgaven voortvloeiend uit afspraken in de RES (elektriciteit), alsook voor concrete ambities die met bedrijven behaald dienen te worden en gemeentelijke doelstellingen.

Het programma is voor de pilots een erg relevant en toepasbaar instrument gebleken, met name in deze fase van het proces met zowel ontwikkeling van de energietransitie als Omgevingswet-instrumentarium. Het is immers een concrete vertaling van de omgevingsvisie naar een uitvoeringstraject (de uitvoeringsagenda: doelen en randvoorwaarden). Het geeft ook mogelijkheden om afspraken met partijen vast te leggen. Daarmee geeft het programma de energietransitie een vliegende start.

Een aantal pilots heeft een duidelijke stap gezet door concreet in te gaan op de vraag hoe het omgevingsplan voor de energietransitie ingezet kan worden (Den Haag, Zoeterwoude, Sùdwest-Fryslân). Voor andere pilots (Maastricht, Groningen) wordt duidelijk dat hier nu nog geen invulling aan kan worden gegeven omdat de Gaswet eerst aangepast dient te worden met betrekking tot de aansluitplicht in relatie tot aardgasvrije wijken, daar is het programma de eerste stap. Uit de pilots komen vragen naar boven over de nadere invulling van een omgevingsplan. Dit brengt onzekerheden met zich mee, denk aan vraagstukken rond timing, jurisprudentie, uiteindelijke vorm (inclusief link met het DSO). Gemeenten zijn nog niet bekend met alle mogelijkheden van het omgevingsplan en moeten er nog mee leren werken in de praktijk. Bovendien zijn er nog verschillende vraagstukken rondom de uitwerking van de energietransitie in het omgevingsplan. Ten opzichte van bestemmingsplannen zullen omgevingsplannen meer ruimte bieden voor lokaal maatwerk. Wat dat betreft liggen er ook duidelijk kansen.

Aanbevelingen

Uit het pilottraject komen 3 belangrijke aanbevelingen:

  • Actieve informatiedeling en verspreiding van kennis geeft versnelling aan andere gemeenten om de handvatten en inspiratie uit de pilots naar hun eigen praktijk te vertalen.
  • Uit de pilots is gebleken dat bij gemeenten behoefte is aan bruikbare voorbeelden. Het verdient aanbeveling om meer voorbeelden uit te werken voor een aantal specifieke situaties/ontwikkelingen in relatie tot de energietransitie. We duiden de volgende prioriteiten:
    • de concrete uitwerking van het instrument programma (mede in relatie tot de Transitievisie Warmte en de Wijkuitvoeringsplannen);
    • inzicht in de doorwerking van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving in relatie tot de energietransitie;
    • de uitwerking van thematische omgevingsplannen in relatie tot grootschalige projecten in het kader van de RES-doelen, vooruitlopend op de gemeentebrede omgevingsplannen.
  • Vergroten van de bewustwording met betrekking tot de koppeling tussen Energietransitie en Omgevingswet. Uit de pilots is naar voren gekomen dat versnelling van de energietransitie aan de orde is als organisatorisch binnen een gemeente de afdelingen Duurzaamheid / Energie en Omgevingswet / Ruimtelijke Ordening de energietransitie gezamenlijk en integraal oppakken. Een cruciale stap die op korte termijn relevant is in de ontwikkeling van de RES en het maken van de ruimtelijke vertaalslag, die moet landen in de instrumenten van de Omgevingswet. Hier ligt een rol voor zowel gemeenten, provincies als waterschappen.
energielandschap