Leefbaarheid na de Woningwet

Een verkenning na drie jaar

De herziene Woningwet (2015) is alweer drie jaar van kracht. De wet bracht aanscherping in de taken en verantwoordelijkheden en daarmee de rolverdeling van woningcorporaties, huurdersorganisaties en gemeenten op het gebied van de volkshuisvesting. Een ander onderdeel van de wet is de aanscherping van de leefbaarheidsbijdragen van woningcorporaties.

Platform31 onderzocht in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), het G40-stedennetwerk en haar corporatiepartners de effecten van de Woningwet op lokale samenwerking en leefbare wijken. Gezien de omvang van het onderzoek presenteren we de resultaten met betrekking tot lokale samenwerking en leefbaarheid in twee separate documenten. Dit rapport gaat in op het aspect leefbaarheid. De onderzoeksvraag luidt: in hoeverre leidt de herziene Woningwet (2015) tot andere keuzes met betrekking tot leefbaarheid?

Om antwoord te geven op deze vraag onderzochten we tien casussen. Een casus bestaat uit een gemeente, een woningcorporatie actief in die gemeente en de huurdersorganisatie van die corporatie. Om de lokale context duidelijk in beeld te brengen, maakten we op basis van drie interviews per casus een verdiepende casusbeschrijving (zie bijlage). De tien casussen in deze verkenning zijn: Arnhem, Delft, Dordrecht, Groningen, Hollandskroon, Maastricht, Rijswijk, Roermond, Vlaardingen en Zwolle. Ze hebben een goede geografische spreiding over Nederland, ze bevatten zowel dorpen, middelgrote steden als grote steden en ze variëren in omvang van de betrokken woningcorporaties. Door die variatie hebben we reden om aan te nemen dat de bevindingen breder herkenbaar zijn.

Uit de casussen blijkt dat woningcorporaties door de Woningwet zijn ingeperkt in de manier waarop ze kunnen bijdragen aan leefbare wijken. De strakkere definitie van leefbaarheid en de maximale leefbaarheidsbijdragen leiden tot een strenger beleid ten aanzien van de leefbaarheidsbijdragen van woningcorporaties. De meeste geïnterviewden beschouwden dit niet als problematisch. De ervaren effecten daarvan zijn klein. De geuite zorgen van geïnterviewden hadden met name betrekking op de veranderde keuzes met betrekking tot de taken die teruggaan naar de gemeenten, BOG/MOG ((bedrijfs- en maatschappelijk onroerend goed) en niet-DAEB (diensten van algemeen economisch belang). De zeven veranderde keuzes staan uitgebreid beschreven in de conclusie.