Sturing in de jeugdzorg? Het kan!

Interview met Ruut van Andel

Met de Wmo en de Jeugdwet zijn taken in het sociaal domein gedecentraliseerd naar gemeenten. Met beide wetten wordt een groter beroep gedaan op de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van burgers. De decentralisatie ging gepaard met bezuinigingen en daaruit voortvloeiende budgetverlagingen. Een ingewikkelde combinatie, maar er zijn gemeenten die erin slagen om kwaliteit te leveren en tegelijkertijd binnen het budget te blijven. De uitvoering van de Jeugdwet in de regio West-Brabant West is daarvan een voorbeeld.

Platform31 sprak met Ruut van Andel. Als informatiemakelaar maakt hij voor zowel de gemeenten als zorgaanbieders in de regio inzichtelijk hoe de inzet van jeugdhulp verloopt en wat het effect van de hulp is. Hij legt uit hoe de regio de taken vanuit de Jeugdwet oppakte en trekt een vergelijking met de Wmo.

De samenwerking in de regio

Van Andel: “Wij zijn in 2012 begonnen met de samenwerking in het jeugddomein tussen negen gemeenten. Dat vereist teamwerk van negen gemeenteraden en wethouders. We hebben ons daarom in eerste instantie gericht op het opbouwen van vertrouwen om gemeenschappelijk tot een effectieve werkwijze te komen. Omdat er 23 procent op ons budget gekort werd in vergelijking met 15 procent gemiddeld in Nederland, was de noodzaak hiertoe voor alle betrokkenen evident: we moesten op zoek naar een ander systeem om een beter stelsel te bouwen. Eerlijk gezegd hadden we het geluk dat we toen samenwerkten met wethouders die elkaar door het proces hebben geholpen. Op sfeer en op cultuur hebben we het stelsel kunnen wijzigen.”

Wmo en Jeugddomein zijn niet vergelijkbaar

Op onze vraag naar sturing in het sociaal domein, is de eerste reactie van Van Andel: “In nieuwsartikelen en discussies over het sociaal domein, worden het jeugddomein en de Wmo vaak samen genomen. Ook als het gaat om sturing en effectiviteit. Dat ‘op-één-hoop-gooien’, is begrijpelijk omdat de toegang vaak op dezelfde manier is georganiseerd, vaak via een wijkteam. Maar daar houdt de vergelijking op.

Ik vergelijk onze zorg in het jeugddomein vaak met de curatieve zorg. In de jeugdzorg kan de ondersteuning in veel gevallen tijdelijk zijn. Na een periode van ondersteuning kunnen de jongeren, eventueel met hun ouders, weer op eigen kracht verder en is geen zorg meer nodig. Je kunt het bekijken als het geval van een gebroken pols die genezen is. Je streeft er dan ook naar om kinderen en jongeren uit de 1e en 2e-lijns hulp te laten stromen.

In de Wmo stromen veel mensen in die ouder zijn dan 55 jaar. Velen daarvan blijven waarschijnlijk de rest van hun leven ondersteuning ontvangen, en als ze uitstromen is dat naar zwaardere zorg. In het kader van de Wmo is het daarom vooral aantrekkelijk om ondersteuning in het kader van de Wmo uit te stellen, bijvoorbeeld door de ondersteuning in het voorveld te organiseren en specialistische hulp voorkomen. Waarom vergelijken we de beleidsvelden dan toch zo vaak?”

Sturen

Toch ziet Van Andel parallellen in hoe je kunt sturen, op kwaliteit en kosten. Zo noemt Van Andel het belang van samenwerken met partners met betrekking tot vroegsignalering, bijvoorbeeld met scholen in het geval van de jeugdzorg. Ook huisartsen vormen in beide domeinen een belangrijke rol. “De huisarts is een belangrijke doorverwijzer. In de regio en voor de jeugdzorg hebben wij de huisartsen tijdens een bijeenkomst laten zien hoe de toegang van de gemeente werkt. Daar hebben we ze wel voor moeten lokken. Een middagbijeenkomst is een slecht idee, want dan zijn ze op huisbezoek. En er moet iemand van statuur aanwezig zijn. Dus wij organiseren bijeenkomsten om 6 uur met soep, broodjes én de wethouder. Zo konden we laten zien welke signalen huisartsen missen in de beperkte tijd die ze hebben voor een diagnose. Dat is confronterend voor ze, maar ook waardevol. Onze jeugdprofessionals kunnen veel langer de tijd nemen voor een goede diagnose dan de huisartsen. Als je in zo’n bijeenkomst een goed opgeleide professional aanbiedt, die hen kan helpen in het maken van de juiste keuzes, dan staan ze daar echt voor open. Hier valt ook in de Wmo ook nog veel winst te behalen.“

De jeugdprofessional als centrale verdeler

“De meest complexe taak die gemeenten hebben gekregen sinds de decentralisatie is het bieden van de juiste zorg op het juiste moment”, vertelt Van Andel. De gemeenten in West-Brabant-West werken voor de jeugdzorg met 120 fte jeugdprofessionals die de inschatting maken welke zorg nodig is.

Deze professionals zijn geschoolde ambulant werkers en werken allemaal voor een hiervoor opgerichte stichting. Zo kunnen zij onafhankelijk de toegang zijn tot specialistische hulp. Van Andel ziet de kwaliteit van de professionals en van de aanbieders van specialistische zorg als de voornaamste ‘knop’ voor sturing: “Ook wij zien een volumegroei van het aantal ontvangers van jeugdhulp maar we hebben de kosten per persoon omlaag gekregen. Dat doen we door de beste mensen in de frontlinie te zetten en hen zichtbaar te laten zijn op vindplaatsen als de school. Waarom? Er zijn gewoon weinig evidence based-methodieken in de jeugd. Het gaat vaak om de klik. Daarom zetten we in op goede professionals en constante intervisie – een tweede aangrijpingspunt waarmee gestuurd wordt.

Beperking administratieve lasten, ruimte en vertrouwen om te handelen

De professionals krijgen veel ruimte en vertrouwen om naar eigen inzicht te handelen. We beperken de administratieve lasten voor hen. Daarmee honoreren we dat professionals weg willen van onnodige administratieve ballast en hebben we een basis geschapen voor vertrouwen. We hebben in West-Brabant West ook geen afspraken gemaakt over caseloads of methodieken. In ieder individueel geval gaat de professional samen met het gezin de beste route ontdekken. Als de professional geen goed gevoel heeft over de voortgang, dan bieden wij de mogelijkheid om over te schakelen op één van de aanbieders voor het specialistische deel. Ook deze aanbieders bieden we vervolgens veel ruimte om te doen wat zij nodig achten. Die ruimte bieden is naar onze opvatting maatwerk.

Verhoging kwaliteit via meting en intervisie

De kwaliteit van het handelen wordt via constante intervisie – bij jeugdprofessionals én aanbieders – verder verhoogd. Daarbij helpt dat er continu op kwaliteit en effectiviteit wordt gemeten via een dashboard met real time-data. Die data geven zicht op de financiën, de kwantiteit, de kwaliteit en geeft een benchmark met de regio. Voor het meten van de kwaliteit gebruiken we outcome-criteria zoals de gemiddelde wachttijd en in welke mate jeugdigen na een zorgtraject weer terugkomen in de zorg. Het dashboard houdt de zorg voorspelbaar. We zien wat de aanpak oplevert, hoe deze eventueel verbeterd kan worden en wat de financiële voorspelling is tot een jaar vooruit. De afzonderlijke gemeenten gebruiken deze data om te zien wat de aanpak hen oplevert en hoe deze verbeterd kan worden. Het grappige is dat wethouders de benchmark gebruiken om het beste jongetje van de klas te zijn. Zo is er een gezonde concurrentie over welke gemeente de beste kwaliteit jeugdzorg biedt.”

Randvoorwaarden volgens Van Andel

De randvoorwaarden voor gemeenten om de juiste zorg op het juiste moment in de jeugdzorg te organiseren:

  • Een samenwerkingscultuur binnen de regio, die gericht is op leren van elkaar.
  • Een team van hooggekwalificeerde ambulant hulpverleners, waardoor op- en afschaling daadwerkelijk mogelijk wordt.
  • Inkoopafspraken die aanbieders belonen om bestendige hulp te bieden en tijdig af te schalen.
  • Een goede relatie met het zorgveld. Er is veel samenwerking nodig tussen gemeente en zorgaanbieder om voor elke jeugdige de beste zorg te bieden, beiden hebben hier een aandeel in. Vanuit wantrouwen werken maakt dit onmogelijk. Als gemeenten moeten we ook eerlijk zijn richting aanbieders, we hebben nu eenmaal soms tegenstrijdige belangen.
  • Inzicht in cijfers, en het verhaal achter de cijfers.