Placemaking bij gebiedsontwikkeling

Placemaking bij gebiedsontwikkeling is een fascinerend, maar soms ook ongrijpbaar fenomeen. Wat is het nu precies? En hoe kan goed doordachte en -aangepakte placemaking eruitzien? Op het jaarcongres Stedelijke Transformatie vertelde Geertje Slingerland, die onlangs aan de TU Delft promoveerde op het thema participatieve placemaking, over de kernwaarden van placemaking. Sabrina Lindemann en Gert-Joost Peek vertelden over I’M BINCK: een platform dat zich inzet voor gemeenschapsvorming en andere placemakingsprocessen in de Haagse Binckhorst. “Een leefomgeving wordt beter als (toekomstige) gebruikers er invloed op hebben.”

Tips voor het ontwikkelen van een placemakinginterventie:

  • Identificeer de belangrijkste partners en stakeholders
  • Zoek de verbinding met de lokale context
  • Verzamel en analyseer gegevens
  • Reflecteer op effecten met stakeholders

De hoekstenen van placemaking

Placemaking – inmiddels “een beetje een buzzword,” vindt Slingerland – is het proces waarin een ruimte (space) een plek (place) wordt, waarbij de laatste een locatie is die (meer) betekenis heeft voor mensen, en waar ze zich thuisvoelen. Placemaking kent drie hoekstenen: 1) de fysieke omgeving 2) sociale verbinding (met de lokale gemeenschap) en 3) institutionele ondersteuning. Deze drie zaken bepalen de mate waarin een locatie wordt ervaren als place. Maar wat is placemaking in de praktijk, of wat zou het moeten zijn? Belangrijke gerelateerde vragen in het onderzoek van Slingerland waren: welke interventies pas je toe? Hoe weet je dat het werkt; hoe weet je dat placemaking heeft plaatsgevonden? En in hoeverre is een interventie die op één bepaalde plek succesvol is toegepast, kopieerbaar naar andere plekken?

Participatie

Al snel stond voor Slingerland in ieder geval één criterium voor goede en effectieve placemaking vast: participatie. Dit gegeven staat ook centraal in participatory design: een in Scandinavië ontstaan concept dat Slingerland in haar onderzoek betrok. Dit concept gaat ervan uit dat een leefomgeving beter wordt als (toekomstige) gebruikers er invloed op hebben. Slingerland ontwikkelde een raamwerk voor participatieve placemaking, met daarin vijf ontwerpprincipes en vier typen activiteiten die je met lokale actoren kunt ondernemen om tot interventies te komen. De vijf ontwerpprincipes zijn:

  1. Inclusief: interventies zijn toegankelijk voor veel verschillende mensen. Hiervoor is het belangrijk om verschillende participatievormen aan te bieden: digitaal en fysiek, kort en lang, etc.
  2. Empowering: mensen doen vanuit hun eigen motivatie mee en kunnen bijvoorbeeld ook vanuit eigen ideeën een initiatief starten, er staat vooraf nog niet veel vast.
  3. Speels: er is een experimentele, spontane setting en samenwerking waarbinnen ruimte is om fouten te maken en met en van elkaar te leren.
  4. Reflectie: de interventie moet mensen stimuleren om na te denken over hun rol in de gemeenschap, bijvoorbeeld door gesprekken over de betekenis van een bepaalde placemakinginterventie.
  5. Emergent: het gegeven dat mensen zelf verder kunnen met hun ideeën en initiatieven, zonder bijvoorbeeld een actieve rol van de gemeente. Zekerheid van middelen (ook op de langere termijn) en het meegeven van vaardigheden aan mensen zijn hiervoor belangrijk.

Placemakinginterventie

Binnen deze vijf ontwerpprincipes identificeerde Slingerland vier soorten activiteiten om samen met anderen in een gebied een placemakinginterventie te ontwikkelen, namelijk (in willekeurige volgorde):

  • de belangrijkste partners en stakeholders identificeren;
  • verbinden met de lokale context;
  • gegevens verzamelen en analyseren;
  • reflecteren op effecten met stakeholders.

De keuze voor een bepaalde activiteit of volgorde is afhankelijk van de lokale situatie. Als er bijvoorbeeld al veel is ondernomen in een gebied, kan het verstandig zijn om eerst te reflecteren op de effecten daarvan.

Toekomstige bewoners

Slingerlands raamwerk van participatieve placemaking gaat dus sterk uit van het betrekken van gebruikers van het gebied. Maar wat doe je als die er nog niet zijn? Hoe neem je bijvoorbeeld de belangen mee van toekomstige, nog onbekende kopers van woningen die nog moeten worden gebouwd in een bepaald gebied? Hierop kunnen ontwerpmethoden als het denken in scenario’s, het doen van rollenspellen, of het werken met het concept van design fiction een antwoord zijn, adviseert Slingerland. Dit soort methoden worden ook gebruikt bij het betrekken van het perspectief van niet-menselijke actoren, zoals de natuur.

Als gemeente investeren in (participatieve) placemaking kan ook een bewuste, instrumentele keuze zijn, zo merkte een medewerker van de gemeente Amersfoort op. Deze deelnemer: “Ik kijk er ook instrumenteel naar: als een gebied wordt ontwikkeld, wil je geen rommelige stukjes, vanwege veiligheidsissues. Dan gaan wij op zoek naar een partij die daar iets mee kan, bijvoorbeeld urban sportgroepjes. Dat zet clubjes bewoners eromheen aan om te denken: dat kan ook! We geven hen dan wat middelen en instrumentarium, en laten hen verder hun gang gaan.”

I’M BINCK

I’M BINCK is een stichting die zich bezighoudt met de ontwikkeling van de Binckhorst in Den Haag. De organisatie is een open netwerkorganisatie. Dit betekent dat iedereen die zich betrokken voelt, zich kan aansluiten en een speerpunt of activiteit kan gaan trekken. Ruim tien jaar geleden legde Sabrina Lindemann – geheel op eigen initiatief – de basis voor I’M BINCK. Dit deed ze vanuit haar betrokkenheid bij het gebied en haar ongenoegen over hoe gebiedsontwikkeling daar, maar ook in het algemeen de afgelopen decennia werd aangepakt: “Als je veel afbreekt, gooi je veel weg: routes, sociale verbindingen… En het kost veel tijd en geld om het weer te dichten en er een mooie plek van te maken. En ik miste de burger in de gebiedsontwikkeling. Als de stad van iedereen is in welke vorm kan de burger dan een grotere rol spelen in dat proces?” Lindemann begon door contacten te leggen met mensen die in de Binckhorst woonden en werkten, wat neerkwam op veel tijd doorbrengen op locaties waar zij kwamen (zoals snackbars en bedrijven) en daar met hen spreken. Door de jaren heen groeiden deze contacten uit tot een community, die nu uit zo’n 2.000 adressen bestaat.

Zes speerpunten

Met deze community werkt I’M BINCK aan zes speerpunten:

  1. ruimte voor groen (‘Bincks groen’)
  2. ruimte voor lopen
  3. ruimte voor erfgoed (‘Binckplekken’)
  4. ruimte voor bewoners én ondernemers
  5. ruimte voor leren
  6. ruimte voor werken

Alle speerpunten zijn vastgesteld op basis van interviews met bewoners en ondernemers. Voor ‘ruimte voor groen’ is bijvoorbeeld gekozen omdat mensen die kwamen wonen in de Binckhorst, aangaven het groen te gaan missen. Ook zeiden sommige geïnterviewden graag door de Binckhorst te willen wandelen, maar daarvoor een groen gebied te missen. Sinds de keuze voor dit speerpunt zijn er ideeën van gebruikers verzameld en is er vanuit I’M BINCK samen met de diverse actoren (bewoners, bedrijven en anderen) hard gewerkt aan vergroening van de Binckhorst – van het creëren van groene daken tot het planten van bomen en het inzaaien van bijenlandschappen.

Hierbij ontstonden nieuwe samenwerkingen, bijvoorbeeld met Urgenda, die in het kader van het project MeerBomenNu bomen leverde, en met een school in de buurt waarvan de leerlingen plantenbakken maakten. Het laatste is slechts één voorbeeld van de vele samenwerkingen met onderwijsinstellingen. Gert-Joost Peek: “Zo komt de energie in I’M BINCK niet alleen van binnen, maar ook van buiten. We hebben bijvoorbeeld ook een samenwerking met de Universiteit Wageningen.” Naar aanleiding van een vraag van een deelnemer (“Waarom zet I’M BINCK niet in op recreatie?”) vertelde Lindemann dat I’M BINCK vooral actief is op gebieden waar andere organisaties dat niet of minder zijn of waar de overheid zaken laat liggen.

Naast specifieke, aan de speerpunten gerelateerde activiteiten organiseert I’M BINCK diverse algemene activiteiten, zoals netwerkbijeenkomsten, rondleidingen door het gebied (“Om de waarde zichtbaar te maken: het geheim van de Binckhorst ligt achter de gesloten gevels”), festivals (“Om ook mensen uit het centrum aan te trekken en het ‘eiland’ Binckhorst meer te verbinden met de rest van Den Haag”) en rondetafelgesprekken met bewoners, bedrijven, de gemeente en projectontwikkelaars.

Succesfactoren

I’M BINCK kon in haar beginjaren gebruik maken van het zogenaamde PIB budget van de gemeente, geoormerkt geld voor particuliere initiatieven in de Binckhorst. De stichting ontvangt nu o.a. middelen van diverse bedrijven uit het gebied. Gevraagd naar succesfactoren van I’M BINCK, onderstreepten Lindemann en Peek het belang van het werken vanuit een persoonlijke betrokkenheid en motivatie – vanuit “een zelfopdracht”, en niet met een commercieel doel. Ook belangrijk zijn een lange adem en regelmaat in activiteiten: “Alle activiteiten versterken het netwerk.”

Wat kunnen anderen, actief in andere gebieden, leren van I’M BINCK? Lindemann gelooft niet in kopiëren, maar wel in een aantal algemene, werkzame principes, zoals “niet te veel zelf dingen doen en bedenken, maar ideeën samen bedenken en weer terugleggen, nieuwsgierig zijn: wat is belangrijk, wat missen we? Dan hebben de dingen die je doet urgentie voor iedereen die mee doet .”

Bekijk de presentatie

Blijf op de hoogte

Wilt u automatisch op de hoogte blijven van ontwikkelingen in het programma Stedelijke Transformatie? Meld u dan aan voor onze nieuwsbrief of volg ons op Twitter of op LinkedIn.