Participeren met gezondheidsproblemen

Interview met Lineke van Hal, associate lector Arbeid en Gezondheid bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN)

Participatie en gezondheid hangen nauw met elkaar samen. Bijstandsgerechtigden hebben bijvoorbeeld vaker te maken met (chronische) gezondheidsproblemen. Participatie ligt voor hen, (mede) door hun gezondheidssituatie, lastig. Toch zijn er in veel gevallen nog haalbare en gewenste vormen van ‘meedoen’. Wat is ervoor nodig om deze groep tot zulke participatie te laten komen? Wat kan iemand zelf doen, en wat kunnen (gemeentelijke) professionals daarin voor hen betekenen?

Gezondheidsproblemen als onderdeel van toeleiding naar participatie

Met een achtergrond in de medische antropologie en sociologie houdt Lineke van Hal zich dagelijks bezig met onderzoek naar ervaringen en verhalen van mensen op het gebied van gezondheid en arbeidsparticipatie. Eén van de eerste punten die Van Hal aan de kaak stelt, is dat gezondheidsproblemen te vaak worden benaderd als belemmeringen voor (toeleiding naar) participatie. “Vanuit het adagium ‘denken in mogelijkheden’ lijken ziekte en gezondheid er niet meer toe te doen als het om participatie en werk gaat. Zo constateerde ik in eerder onderzoek dat re-integratiemedewerkers het lastig vinden om met grillige gezondheidssituaties om te gaan en deze vaak zien als een obstakel voor participatie.”

Dit kan ertoe leiden dat de begeleiding naar participatie stokt: “Dan wordt al gauw gezegd: wacht maar tot je weer beter bent, tot je weer energie hebt. Ik kom die neiging om te wachten, die wachtstand, regelmatig tegen. De consequentie is dan dat de activering on hold komt te staan, en dat het langer duurt voordat mensen zicht hebben op hun reële mogelijkheden voor maatschappelijke participatie.” Vooral voor mensen met een chronische gezondheidsbeperking vormt dit een probleem, zegt van Hal. Volgens haar zou iemands gezondheidssituatie moeten worden benaderd als onderdeel van de toeleiding naar participatie: “Het gaat dan om de vraag: hóe kunnen, willen en mogen mensen met hun chronische beperking aan het werk komen en zijn? Deze inzichten zijn ook nodig om inclusievere werkomgevingen te creëren.”

Ruimte voor onmogelijkheden en de bredere participatieopgave

Dat er voor deze vraag ook bij gemeenten vaak nog onvoldoende aandacht is, ligt volgens de associate lector onder andere aan de context waarin bijvoorbeeld klantmanagers werken: “Ze [klantmanagers, red.] worden afgerekend op output; de focus ligt op een snelle uitstroom uit de uitkering.” In deze setting draait het vooral om mogelijkheden, zo stelt van Hal, en blijft er maar weinig ruimte in de begeleiding over voor het omgaan met onmogelijkheden en beperkingen en de betekenis daarvan voor duurzaam passend werk. Van Hal vervolgt: “Als klantmanagers te maken krijgen met mensen met gezondheidsproblemen, ontstaat er een spanning tussen snelheid en duurzaamheid. Mensen worden te snel als niet kansrijk gezien. Ik denk dat het helpt als gemeenten de bredere maatschappelijke opgave op het gebied van participatie voor ogen houden: dat mensen zo veel mogelijk naar wens en vermogen kunnen meedoen.”

Identiteitswerk

Van Hal signaleert dat de begeleiding van bijstandsgerechtigden binnen gemeenten vaak gericht is op heel praktische zaken, zoals werknemersvaardigheden. Voor mensen met (chronische) gezondheidsproblemen is meestal meer nodig, stelt ze. Het vraagt het verkennen van wat werk in je leven betekent, hoe je dat in je leven in wilt passen en wat je daar concreet voor nodig hebt. Dit is iets waar volgens Van Hal zogenoemd ‘identiteitswerk’ voor nodig is. “Het gaat om vragen als: wie was ik, wie ben ik, en wie wil, kan en mag ik zijn op deze arbeidsmarkt?” Hoewel identiteitswerk in de eerste plaats wordt verricht door de persoon zelf, hebben professionals zoals klantmanagers bij gemeenten hierin ook een rol, vindt Van Hal: “Je hebt er vaak een ander bij nodig; iemand die je uitnodigt om daarover na te denken. Sowieso is het belangrijk om mensen als sociale wezens te zien; anderen doen er altijd toe en zijn van belang om als mens tot je recht te komen.”

Dialoog en relatie

Belangrijk voor dit identiteitswerk en de verdere begeleiding van bijstandsgerechtigden met gezondheidsbeperkingen is volgens Van Hal de dialoog en werkrelatie tussen cliënt en professional: “Het is ingewikkeld voor professionals om mensen op passende wijze te begeleiden. Daarom is de dialoog met de betrokken cliënt zo belangrijk; leg het voor.” Van Hal ziet dat professionals wat dat betreft vanuit verschillende logica’s werken. “In recent werk benoem ik verschillende logica’s en de gevolgen daarvan. Klantmanagers die werken vanuit een procedurele logica bepalen veelal zelf de richting en inhoud van het gesprek. Bij een relationele logica staat het creëren van een verbinding met de cliënt centraal. Daarin past het aangaan van een dialoog en dat leidend laten zijn voor de te zetten stappen.”

Duurzaam en inclusief werk

Ook noemt Van Hal verschillende kansen voor verbetering rondom de uitstroom naar werk. Zo ziet ze dat bijstandsgerechtigden vaak uitstromen naar kortdurende contracten. Zeker waar het gaat om mensen met een kwetsbare (gezondheids)positie zou Van Hal dit graag anders zien: “Eigenlijk wil je mensen teleurstelling op teleurstelling [van het aflopen van een contract, red.] besparen. Idealiter begeleid je hen naar duurzaam werk en ondersteun je hen daar voor langere tijd, bijvoorbeeld met een jobcoach.”

Bovendien zouden zowel gemeenten als werkgevers volgens Van Hal (meer) aandacht moeten hebben voor een inclusieve werkomgeving: “Naar mijn mening zou er nog meer gekeken moeten worden naar wat het betekent om een inclusieve werkgever te zijn. Volgens mij kan er hierover ook tussen gemeenten en werkgevers veel meer geleerd worden. Gemeenten zouden meer zicht moeten krijgen op: wat verwacht men nu eigenlijk van werknemers op de werkvloer? Werkgevers moeten leren over: wat heeft deze persoon nodig om mee te kunnen blijven doen?”

Een belangrijke eigenschap van een inclusieve werkomgeving is volgens van Hal ‘responsiviteit’. “Daarbij gaat het erom dat je rekening houdt met wat ertoe doet voor je werknemer. Blijf dus ook als werkgever vragen wat iemand nodig heeft om mee te kunnen blijven doen. Daar kunnen bedrijven en andere werkgevers op inzetten. Voor deze ‘doelgroep’, maar eigenlijk voor iedereen.”