Om domeinoverstijgend te kunnen werken moeten we elkaars taal leren spreken

Interview met Yvonne van Mierlo, directeur participatiebedrijf Ergon

Yvonne van Mierlo is directeur van het participatiebedrijf Ergon in de regio Eindhoven. Van Mierlo zet zich haar hele leven al in voor arbeidsparticipatie vanuit verschillende rollen. Daarvóór werkte ze jarenlang in de zakelijke dienstverlening en heeft ze als wethouder in Helmond en bestuurder bij Movisie hands-on ervaring opgedaan op bestuurlijk en strategisch terrein. Begin 2021 won haar bedrijf samen met Archipel en Woonbedrijf de derde prijs van de Werkinnovatie Prijs van Start Foundation en Cedris met hun initiatief ‘4W: Wonen, Werken, Welzijn in de Wijk’. Het initiatief wordt binnenkort uitgerold in de wijk Gestel (Eindhoven). Platform31 spreekt met Van Mierlo over haar visie op domeinoverstijgend werken in wijken en de lessen die zij heeft geleerd tijdens dit initiatief.

Wat zijn uw associaties bij de domeinoverstijgende gebiedsgerichte aanpak in kwetsbare wijken?

“We zien in Nederland verschillende wijken waar mensen weinig of minder perspectief hebben dan in andere wijken. Ik blijf het een puzzel vinden om te beoordelen of dit komt doordat kwetsbare mensen bij elkaar gaan wonen of dat dit komt omdat mensen kwetsbaar worden door de plek waar ze wonen. Ik zie wel dat in de aanpak van problemen vanuit verschillende domeinen veel meer kansen gepakt kunnen worden. De domeinen wonen, werk en welzijn zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Een integrale aanpak kan zorgen voor meer leefbaarheid en veiligheid in een gebied. Dit betekent echter niet dat organisaties over elkaar heen moeten buitelen in de wijkaanpak. De expertise moet blijven daar waar zij het beste past. We moeten wel zorgen voor een gemeenschappelijke taal, een netwerkaanpak en verbinding. Vanuit die bedoeling moeten we samenwerken. Op dit moment zijn het vaak toch eendimensionele aanpakken. We zeggen graag dat we samen optrekken, maar volgens mij gebeurt dat nog veel te weinig, terwijl we daar allemaal profijt van zouden kunnen hebben. Om een voorbeeld te geven: we hebben een groot aantal mensen die bij ons werken, maar die ook in een zorginstelling wonen. Toen door de coronamaatregelen onze werknemers van de zorginstelling niet meer mochten werken, omdat het risico op besmettingen te groot was, werd er door de zorginstelling niet bedacht: we moeten hierover even contact opnemen met Yvonne om te sparren. Zo zijn er veel meer gebieden waarbij we elkaar de vraag kunnen stellen: hoe kan ik je daarbij helpen en hoe kan jij mij helpen? Maar ook: wat voor effect heeft mijn interventie eigenlijk binnen jouw organisatie?”

In Brabant is de samenwerking binnen jullie domein (werk) vergevorderd. Op regionaal niveau houden gemeenten, werkgevers en participatiebedrijven elkaar vast. Hoe is dat jullie gelukt?

“Voor een deel heeft het te maken met de geschiedenis en de cultuur in Brabant. Het faillissement van DAF en het verlies van banen bij Philips tijdens de crisis, jaren geleden, lieten zien dat dit impact had in de hele keten. Toen hebben ze gezegd: we moeten de handen ineenslaan en het samen doen. Dat sentiment leeft nog steeds. Er is daardoor in de Brabantse politiek meer aandacht voor werk. En inderdaad, in Brabant zie je dat wij hoog gescoord hebben als het gaat om het plaatsen van mensen met een loonkostensubsidie. Het probleem is echter dat de invoering van de Participatiewet ook een bezuiniging met zich meebracht. De financiële doorrekening van de banenafspraak laat zien dat gemeenten eigenlijk niet voldoende budget hebben om deze te realiseren 1. En dan komt het neer op een lokale politieke keuze. Een succesvolle gezamenlijke lobby heeft geresulteerd in een nieuwe financiering op basis van realisatie, dat biedt perspectief voor de gemeenten.”

Binnen jullie sector is de samenwerking dus sterk, maar in Eindhoven wordt breder gekeken: over domeinen heen. Hoe is dit tot stand gekomen?

“Er zijn verschillende ontwikkelingen geweest in Eindhoven die geleid hebben tot de huidige aanpak. Wijkgericht werken begon met het idee dat één hulpverlener ‘aan de keukentafel’ met iemand alle problematiek bespreekt en daar oplossingen aan verbindt. In de praktijk zagen wij echter dat het dan heel erg afhankelijk is van de werkwijze of aanpak van de hulpverlener of alle domeinen ook besproken worden. Wij zagen dat de vraag over arbeidsparticipatie (‘kun je nog werken?’) pas heel laat gesteld werd. Ik ben heel erg voor wijkgericht werken, maar dan moeten wel alle expertises om de tafel zitten. Daarmee bedoel ik niet dat we (weer) met een panel aan hulpverleners moeten gaan werken, maar wel dat verschillende trajecten goed met elkaar verbonden moeten zijn. Wijkteammedewerkers hoeven en moeten juist niet alle domeinen in de vingers hebben. We moeten echter elkaars kwaliteiten beter herkennen en elkaars expertise inzetten wanneer dat nodig is. We hebben inmiddels het gesprek ‘aan de keukentafel’ gerepareerd en nu worden mensen wél doorgeleid naar het participatiebedrijf. Dit hebben we voor elkaar gekregen door heel veel te praten met verschillende partijen. Maar ook door onszelf te vragen: hoe komt het dat wij zoveel mensen niet vinden? Want we weten dat ze er zijn. Dan moet je goed kijken naar het proces en de gaten dichten. Dit repareerwerk hebben we samen gedaan met de bestuurders van de verschillende organisaties. We hebben destijds ook een aantal ‘jumpsessies’ georganiseerd. Hierin probeerden we onuitgesproken ideeën over elkaar boven tafel te krijgen. Dit is ontzettend belangrijk, anders ontstaat er een theoretische samenwerking die in de praktijk niet werkt. Vervolgens moet je nog zorgen dat je je eigen medewerkers meekrijgt. Je medewerkers moeten het uiteindelijk gaan doen. We hebben bij elke stap de organisatie meegenomen en laten nog steeds heel duidelijk de impact zien van de afspraken.”

In Eindhoven zijn jullie een bijzonder project begonnen waar het sociale, het fysieke en het arbeidsdomein gebiedsgericht samenkomen. In de wijk Gestel gaan jullie aan de slag met het project ‘4W: Wonen, Werken, Welzijn in de Wijk’. Hoe is dit project tot stand gekomen?

“Bij een domeinoverstijgende gebiedsgerichte aanpak stuit je als organisatie vaak eerst op een probleem in een specifieke wijk of gebied, dat je vervolgens aankaart bij andere organisaties en waar je samen een oplossing voor zoekt. Voor dit project hebben we eerst een samenwerking gezocht met een zorgorganisatie (Archipel) en later ook met een woningcorporatie (Woonbedrijf). Er lag een uitdaging vanuit Cedris en Start Foundation om maatschappelijke vraagstukken op te lossen met werkgelegenheid. We hebben samen met Archipel en het Woonbedrijf gekeken naar welke problemen zij vaak tegenkomen en waar te weinig oplossingen voor zijn. Archipel gaf toen aan dat er veel ouderen zijn die eenzaam zijn en die praktische hulp kunnen gebruiken. Het Woonbedrijf vertelde dat het voor jongeren ontzettend lastig is om woonruimte te vinden. Bovendien had het Woonbedrijf ook veel klussen, zoals klein onderhoud. Wij zien in sommige wijken een hoog percentage jeugdwerkloosheid en wij zien veel 55-plussers die geen baan meer kunnen vinden. Toen we deze problemen geïdentificeerd hadden, zijn we gaan brainstormen om een aanpak te bedenken die al deze groepen zouden kunnen helpen. Pas toen we de juiste aanpak gevonden hadden, zijn we gaan kijken in welke wijk de problematiek het meest speelt en waar de aanpak dus een goed effect zou kunnen hebben. Een voorwaarde was ook dat in de gekozen wijken zowel het Woonbedrijf als Archipel een belangrijke positie hebben.”

Wat houdt het initiatief ‘4W: Wonen, Werken, Welzijn in de Wijk’ in?

“Werkloze jongeren die nu tussen wal en schip vallen op de arbeidsmarkt mogen maatschappelijke werkzaamheden verrichten bij ouderen die op dit moment niet vergoed worden. Ze kunnen mantelzorgers ondersteunen, extra aandacht geven aan ouderen en hand- en spandiensten verrichten. Ze doen dit onder begeleiding van een 55-plus-buddy. Voor de 55-plusser is dit een volwaardige baan die hem of haar uit de bijstand helpt. In sommige gevallen zal dit ook de mogelijkheid bieden om weer op de reguliere arbeidsmarkt te kunnen werken. We gaan ook kijken of jongeren bij ouderen kunnen intrekken door een woning te splitsen, mocht dit bijdragen. Zo gaan we eenzaamheid tegen, kunnen ouderen langer thuis wonen, doen we iets tegen de woonproblematiek en bieden we kansen aan groepen die op de arbeidsmarkt geen plekje vinden.”

Wat zijn de baten voor de verschillende partijen?

“Voor ons is het in de eerste plaats belangrijk dat er meer mensen aan het werk komen en de jongeren de kans krijgen om te participeren. We hebben al veel ervaring met het buddyproject 50+ en dit sluit daar naadloos op aan. Door dit project kunnen we bovendien onze maatschappelijke verantwoordelijkheid tonen aan de stad. Daarnaast wonen onze mensen deels in die wijk. Dit project geeft voor onze werknemers aan: wij zijn ook actief binnen jouw wijk. Dat vergroot draagvlak voor wat je doet. Voor de woningcorporatie is dit een manier om te werken aan leefbaarheid. Eenzame ouderen voelen zich vaak niet veilig en een wijkteam kan niet overal tegelijk zijn. De jongeren worden zo de ogen en oren van de wijk. Ze kunnen het aangeven als iemand al drie dagen de deur niet opendoet.”

Hoe hebben jullie de financiering georganiseerd?

“We zijn zo ‘geschot’ en middelen zitten vaak vast in hokjes. Je kunt hele goede integrale doelen hebben, maar in de praktijk moet je terug naar je eigen domein en verantwoorden waarom dit geld op deze manier geïnvesteerd moet worden. Om dit soort initiatieven te starten, hebben we echt het innovatiegeld van Start Foundation en Cedris nodig. Alle betrokken partijen leveren ook een financiële bijdrage en capaciteit. Een deel van het geld komt vanuit een besparing op uitkeringen. We zijn aan het onderzoeken wat zorgverzekeraars en private partijen kunnen betekenen.”

Welke lessen kun je trekken uit deze samenwerking?

“Aan het begin spreek je echt een andere taal en moet je steeds de vraag stellen: snappen we eigenlijk wel wat we samen willen? We snappen nu beter dat we echt met dezelfde problemen te maken hebben. Als iemand zijn huur niet kan betalen, dan vertaalt zich dat in ziekteverzuim en stress op de werkvloer. Als iemand op zijn werk niet lekker in zijn vel zit, dan uit zich dat ook in de leefomgeving. Ook zien we dat we als organisaties vooral moeten doen waar we goed in zijn en moeten loslaten waar andere partijen veel beter in zijn. Je moet vertrouwen hebben in elkaar en elkaar kunnen herkennen. We zien dat het loont om uit onze comfortzone te stappen, want we zien nu veel meer mogelijkheden om samen te werken.”

Welke kansen ziet u, vanuit uw sector, voor de domeinoverstijgende gebiedsgerichte aanpakken van kwetsbare wijken?

“We zouden veel beter kunnen samenwerken op het gebied van vroegsignalering. Natuurlijk kunnen we iemand doorsturen naar het gemeenteloket, maar het is veel effectiever als we iemand direct in contact kunnen brengen met de juiste hulpverlener. En dat geldt ook andersom. Daarnaast is er nog een grote slag te slaan op het gebied van veiligheid en ondermijning. Jongeren die in de criminaliteit terechtkomen, ervaren vaak een gebrek aan sociale binding. Werk kan een belangrijke rol spelen om dit te verbeteren. Ook zie ik kansen op het gebied van verduurzaming en de energie- en mobiliteitstransitie. In de uitrol en implementatie zouden wij een grotere rol kunnen spelen. Denk aan elektrisch vervoer en het transport van pakketjes. Zeker als we dit straks steeds meer circulair willen doen.”

1 De Rijksoverheid heeft in samenwerking met organisaties voor werkgevers en werknemers afgesproken dat er voor 2026 125.000 extra banen moeten komen voor mensen met een arbeidsbeperking.

Innovatieprogramma ‘Domeinoverstijgende gebiedsgerichte aanpakken in kwetsbare wijken’

In het innovatieprogramma ‘Domeinoverstijgende gebiedsgerichte aanpakken in kwetsbare wijken’ formeert Platform31 een kennisgemeenschap van strategische beleidsmedewerkers uit gemeenten en corporaties. Het doel: op zoek gaan naar de werkzame bestandsdelen van domeinoverstijgende gebiedsgerichte aanpakken waar vernieuwende koppelingen tussen sociale en fysieke beleidsdomeinen centraal staan.