“Met een vroegtijdige en brede intake weten wij nog beter wat voor vlees we in de kuip hebben”

Interview met Mario Jacobs, wethouder in Tilburg

Iemand die nieuw is in Nederland kun je niet vragen zelf de weg te vinden in ons oerwoud aan regels en bureaucratie. Vanuit die overtuiging kiest de gemeente Tilburg resoluut voor een vroege begeleiding van en persoonlijke aandacht voor de vergunninghouder én voor het investeren in een goede samenwerking met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), bedrijven, maatschappelijke organisaties en onderwijsinstellingen. Mario Jacobs, coördinerend wethouder asiel en ketenaanpak, vertelt hoe deze aanpak werkt in de praktijk.

Wat is zo bijzonder aan de aanpak in Tilburg?

“Bovenal moet duidelijk zijn dat vergunninghouders van harte welkom zijn in onze stad en dat ze vanaf het eerste moment erbij horen. Tilburg is een inclusieve stad en dat willen we dan ook prominent uitstralen en zichtbaar maken. Centraal staat daarom ook dat we de inburgering vroegtijdig, doorlopend en integraal aanpakken. Dit doen we door zo snel mogelijk te beginnen met participatie, bij voorkeur alvast in de opvanglocatie.”

Waarom zijn jullie al in een vroeg stadium met het COA gaan praten?

“Direct na de verhoogde asielzoekersinstroom hebben we het COA gebeld omdat we wilden dat de vergunninghouders die in onze regio worden opgevangen, ook gehuisvest worden in Tilburg. Op die manier kunnen we eerder beginnen met de participatie en activering en bouwen de mensen een netwerk op dat ze straks nog kunnen gebruiken. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zei in 2015 al dat je hiermee vroeg moet beginnen, en die notie heeft ons gesterkt in het opbouwen van een samenwerking met het COA. Ook nu bevestigt het Centraal Planbureau in het rapport ‘Regionale plaatsing vergunninghouders en kans op werk’ dat je vergunninghouders moet huisvesten waar werk is. Met deze investering aan de voorkant zorgen wij voor een betere aansluiting op de lokale arbeidsmarkt. Dat doen we met maatschappelijke partners en dat willen we blijven doen met het COA. In de toekomst willen we meer informatie vooraf ontvangen over de achtergrond en interesses van vergunninghouders, zodat mensen beter gekoppeld worden. En met een vroegtijdige en brede intake weten wij als gemeente nog beter wat voor vlees we in de kuip hebben.”

Wat brengt de samenwerking met bedrijven op?

“Bedrijven en gemeenten zijn eerder geneigd te investeren tijdens de opvangperiode als ze weten dat deze vergunninghouders in dezelfde regio worden gehuisvest. Tijdens een rondleiding in het opvangcentrum voor vergunninghouders samen met het Tilburgse bedrijfsleven bleek bijvoorbeeld ook veel interesse in de achtergrond en de behoeften van mensen. In een latere fase zijn bedrijven nog steeds betrokken en bieden ze bijvoorbeeld stages aan. Er zijn zelfs een paar mensen direct vanuit het opvangcentrum gaan werken in Tilburg en hebben geen uitkering aangevraagd bij de gemeente.”

Jullie werken ook samen met onderwijsinstellingen en taalaanbieders. Wat levert dit op?

“Meer maatwerk. We bieden een verlengde entreeopleiding aan voor jongeren met weinig onderwijservaring en volgend schooljaar kunnen analfabeten en laaggeletterde vergunninghouders een jaar extra bij Internationale Schakelklassen (ISK) onderwijs volgen. Samen met taalaanbieders proberen we nu taalles te combineren met participatie, want dat levert nog veel complicaties op in de praktijk. In de regio Hart van Brabant heb je algauw twintig verschillende taalaanbieders, wat het lastig maakt om participatie- en werktrajecten te combineren met de verschillende lesroosters. Zoals uit de verschillende onderzoeken naar voren komt, is participatie vanaf het eerste moment van groot belang. Als gemeente kunnen we dit alleen goed organiseren als we, samen met de vergunninghouder, kunnen kiezen voor een integraal (inburgerings)traject. Door de inburgering over te laten aan de markt ziet de vergunninghouder door de bomen het bos niet meer.”

Hoe verloopt het contact tussen de klantregisseurs en de vergunninghouders?

“Klantregisseurs helpen nieuwkomers met het maken van een goede keuze tussen alle verschillende taalaanbieders. En ze zorgen dat mensen zo snel mogelijk aan de inburgeringsverplichting voldoen. Een lagere caseload zorgt natuurlijk voor meer aandacht voor de individuele vergunninghouder en dat de klantregisseur ook na de maatschappelijke begeleiding een vinger aan de pols kan houden totdat iemand werk heeft gevonden of een opleiding is gestart. De effecten van die lagere caseload kunnen we pas meten na vijf tot tien jaar, maar we durven nu wel voorzichtig te zeggen dat deze aanpak werkt! Een belangrijke winst is dat de klantregisseur de vergunninghouder beter en sneller weet te begeleiden door het oerwoud aan regels en bureaucratie dat Nederland heet. Los van de hoeveelheid instanties waar je als vergunninghouder mee communiceert en alle formulieren die je moet invullen, is het nu bijvoorbeeld vaak bijna onmogelijk om je in te schrijven bij instanties. We vragen bijvoorbeeld om een Nederlandstalig formulier in te vullen voor de DUO-lening, terwijl je hiermee juist een lening aanvraagt voor een inburgeringscursus en dus de taal nog niet spreekt. Dat gaat natuurlijk mis. En haak je hierdoor af? Dan krijg je als vergunninghouder waarschijnlijk het verwijt dat je je niet voldoende inzet voor je inburgering. Als wij als overheid willen dat mensen meedoen in de samenleving, dan moeten we dit hen niet onmogelijk maken.”

Wat moet veranderen in het landelijke inburgeringsbeleid?

“Gemeenten moeten grip krijgen op de inburgering, zodat we goede integrale trajecten kunnen aanbieden vanaf het eerste moment. Zo kunnen we vergunninghouders ook goed ondersteunen in het Nederlandse oerwoud aan regelgeving en bureaucratie. De marktwerking blijkt voor meerdere sectoren een probleem, maar als het om mensen gaat is dat extra pijnlijk. We moeten het inkoopbeleid daarom overlaten aan de gemeente en niet aan de markt. Dat geldt wat mij betreft ook voor het aanvragen van de DUO-leningen. We moeten meer investeren aan de voorkant en zo vroeg mogelijk een brede intake doen. Op die manier koppel je vergunninghouders beter aan gemeenten. Tot slot moeten we blijven investeren in de samenwerking met het COA. Ongeacht de veranderingen die daar spelen, moeten mensen zoveel mogelijk worden gehuisvest in de regio waar ze opgevangen zijn.”

G40 themagroep Vergunninghouders

Platform31 ondersteunt de G40 themagroep Vergunninghouders en houdt een online kennisdossier bij. Recente publicaties gaan over: