Hoe te handelen als iemand huis en kinderen kan kwijtraken?

Hoe handel je bij mensen die niet zelfredzaam zijn, met meerdere problemen kampen en hun huis dreigen kwijt te raken? Waarom willen sommige mensen dan niet meewerken aan hulpverlening? Wat gaat er door hun hoofd? Platform31 keek mee over de schouder bij de Uitvoeringsbrigade, een organisatie die met een brede aanpak mensen uit armoede helpt. Bijvoorbeeld Frances, die op het punt stond haar huis en kinderen kwijt te raken.

Zodra de deurbel gaat, trekt er een rilling door het lichaam van Frances. Ze stopt waarmee ze bezig is en gaat snel op bank zitten. Daar wacht ze stil totdat degene die voor de deur staat, weg is. Met gespitste oren zit ze te wachten en te luisteren. Zijn dat voetstappen die weglopen? Of staat er nog iemand voor haar deur? Om haar zenuwen onder controle te houden, steekt ze op dat soort momenten een sigaret op, ondanks het kloppend hart in haar keel en de trillende vingers. Nerveus wordt ze ervan, van die organisaties die blijven aanbellen. Ze willen zogenaamd helpen, maar ze weet wel beter: ze willen haar uit haar huis zetten, haar kinderen en haar katten van haar afpakken. En dan heeft ze niets meer. Al jaren probeert ze hen te ontlopen. Maar het wordt steeds lastiger en het valt haar steeds zwaarder. Inmiddels is ze graatmager, want de stress vreet haar van binnen op.

Overdag werkt Frances bij de kringloopwinkel. Dat is leuk en soms mag ze ook wat mee naar huis nemen. Dan kan ze misschien haar meisjes blij maken. Want voor hen is het thuis ook niet fijn. Elke avond slapen ze met z’n drieën op de bank. Bang dat de bel gaat. Dat ze de deur openbreken en ze komen halen. Daarom laat Frances de meisjes ook liever niet alleen thuis. Gelukkig kan haar 22-jarige zoon oppassen als ze aan het werk is. Ze kan niet zonder hem. En hij kan niet zonder haar.

Middeleeuwse stank

Frances hoeft niet te kijken wie voor haar deur staat. Dat weet ze wel. Het is de woningbouwcorporatie, gezinsvoogd of de GGZ. Ze lopen al jaren te zeuren en te dreigen. Nog voordat ze hier woonde, waren ze al bezig. Ze was gescheiden en met haar drie kinderen bij haar moeder gaan wonen in haar seniorenwoning. Toen haar moeder naar een zorgwoning moest, regelde de corporatie een nieuwe woning voor haar, maar ze kwamen wel met allerlei regeltjes. Ze moest het netjes houden, de tuin bijhouden, op tijd de huur betalen en de hulpverleners toelaten. En haar katten mochten geen overlast meer veroorzaken.

Dat ging op zich prima, totdat de woningbouw vond dat er een nieuwe keuken moest komen. Toen stond er opeens een man voor de deur. Hij klaagde dat hij niet bij de keuken kon komen; alles was volgebouwd. En het stonk, zei hij. Hij ging klagen bij de woningbouwcorporatie en zij klaagden bij de gemeente. Ze hadden al eerder klachten van buren gehad. Onzin, vond Frances. En ze zou de woningbouw wel laten zien dat er ook nu niets aan de hand was. Dus toen ze weer aanbelden, deed ze open. Maar ook zij gingen meteen klagen. “U heeft wel veel spullen staan.” Ja, van de kringloop en van haar moeder. Daar kun je toch geen afstand van nemen? Bovendien hingen er lakens om delen van het huis af te schermen. Dat zag er een stuk netter uit. Ook zij klaagden over stank en zeiden al na een paar minuten dat ze naar buiten moesten om adem te halen. Even later stonden ze in de tuin weer te klagen. “Allemaal puin, troep en uitwerpselen van de zeven katten. Mevrouw, dit kan niet langer!”

Plannen maken

Terwijl de woningbouwcorporatie bij Frances in de tuin staat, maken ze direct een afspraak voor het ophalen van het grofvuil. Ze maken zich zorgen over de woning, maar vooral over de situatie van de kinderen en de mentale gezondheid van Frances. Het tweede telefoontje gaat daarom naar de Uitvoeringsbrigade, een organisatie waarmee de gemeente werkt om mensen met multiproblematiek te helpen uit armoede. Diezelfde dag kan Frances langs voor een intake. Dat doet ze, want ze lijkt te begrijpen dat ze haar woning kwijtraakt als de situatie niet verandert. Het liefst wil ze gewoon een einde maken aan het gezeur van de woningbouwcorporatie en de gezinsvoogd. Daar haakt de Uitvoeringsbrigade op in: “Dan gaan we dat aanpakken.” Ondertussen stellen ze haar diverse vragen en maken ze samen een plan om haar situatie te verbeteren, inclusief prioriteiten en volgorde van handelen.

Later die week moet Frances terugkomen bij de Uitvoeringsbrigade. Maar ze komt niet. Pas als Veilig Thuis wordt ingeschakeld, duikt ze weer op: “Ze dreigen de meisjes uit huis te halen.” Ook haar zoon is in paniek; hij krijgt geen uitkering meer omdat hij niet meer naar zijn werktraject gaat. De Uitvoeringsbrigade gaat daarom met Frances en zoon mee naar de werkadviseur. Daar worden spijkers met koppen geslagen: ze krijgen beiden persoonlijke begeleiding en zetten hun handtekening op een Wmo-aanvraag. Het werk kan beginnen.

Terugval en doorbraak

Via de Wmo krijgt Frances hulp van thuiszorg voor het opruimen en schoonmaken van haar woning. Nationaal Fonds Kinderhulp geeft een basisinrichting voor de kinderkamers, zodat ze niet meer elke nacht samen op de bank hoeven te slapen. Frances ziet de situatie langzaam veranderen en voelt zich gesteund. Ze vindt de complimenten van haar coach als ze zelf wat doet vreemd, maar heel fijn. Ondertussen bouwt de woningbouwcorporatie een dossier op als stok achter de deur. Ze betalen de opvang van de katten bij een asiel (1.600 euro) en zorgen dat het grofvuil gratis wordt afgevoerd. In het groeiplan, dat Frances met de Uitvoeringsbrigade opstelde, staat de brede benadering vastgelegd. Het plan is gebaseerd op haar situatie, gedrag en vaardigheden en hierin staat helder wie wat doet en wanneer. Het is bovendien in lijn met de bodemeisen van de gezinsvoogd. Frances weet ook wat de consequenties zijn van haar gedrag. Als ze zich aan de afspraken houdt, mogen de meisjes thuisblijven.

Aanvankelijk zet ze stappen, maar na verloop van tijd is Frances weer klaar met alle bemoeienis. Ze gaat afspraken afzeggen en na twee maanden plaatst de rechter alsnog haar dochters uit huis. Doordeweeks blijven ze in een ‘uitwijkhuis’ in de buurt, in het weekend mogen ze thuis slapen. Daar voert Frances weinig meer uit. Pas als de woningcorporatie boos uitvalt tegen haar, valt het kwartje. Als ze ook nog een schoonmaakactie regelen, maakt dat het werk voor haar behapbaar. Het heeft groot effect: de wekelijkse begeleiding loopt stabieler, de kamers worden ingericht en haar oudste zoon wordt gecoacht. Na zes maanden beslist de rechter dat de kinderen weer naar huis mogen. Inmiddels komt de woningcorporatie elke drie maanden langs en doet Frances moeiteloos open. Bovendien heeft de installateur eindelijk de nieuwe keuken kunnen plaatsen.

Meer lezen

Lees hier meer over de brede en integrale aanpak GrowCare van de Uitvoeringsbrigade. De komende weken publiceren we nog twee portretten om te laten zien hoe de aanpak werkt in de praktijk. We vertellen het verhaal van Patrick en Daisy, die met hun twee dochters noodgedwongen bij Daisy’s ouders wonen. En we spraken Lesley en Geoffrey, bij wie de hoge huurprijs zorgt voor problemen met instanties.

Mobility Mentoring®

De aanpak van de Uitvoeringsbrigade lijkt sterk op die van Mobility Mentoring®. Net als GrowCare richt Mobility Mentoring® zich expliciet op meerdere sociale problemen, die in samenhang met elkaar worden aangepakt. Bij Mobility Mentoring® wordt dat gedaan door inzichten uit de (hersen)wetenschap te vertalen in instrumenten en praktische toepassing voor verschillende doelgroepen en organisaties. Net als bij GrowCare werken professionals op basis van gelijkwaardigheid en vertrouwen samen met deelnemers aan problemen op verschillende leefgebieden. Met een individueel aanspreekpunt, positieve bejegening en heldere, oprechte communicatie proberen beide aanpakken ervoor te zorgen dat deelnemers weer duurzaam grip krijgen op hun leven.