Hoe creëer je maatschappelijke waarde met broedplaatsen?

Broedplaatsen als De Ceuvel in Amsterdam en Het Schieblock in Rotterdam leveren een enorme maatschappelijke meerwaarde. Ze vormen een bron van motivatie voor innovatie in technische en sociale duurzaamheid. Architect Christiaan Weiler onderzocht deze experimentele locaties en vertelt over informele gebiedsontwikkelingen waarmee ook maatschappelijke waarde wordt gecreëerd.

De bouwsector probeert duurzame bouwmethoden te ontwikkelen. Maar het duurt volgens Christiaan Weiler lang voordat er technische oplossingen beschikbaar zijn die écht anders omgaan met de druk op de beschikbare grondstoffen. Ondertussen ontstaan er kleinschalige initiatieven die economische en maatschappelijke waarde creëren en lokaal innovatie mogelijk maken. Architect Weiler denkt dat deze twee werelden iets kunnen leren van elkaars organisatorische aanpak, waardoor aan beide kanten beter wordt ingespeeld op de gevolgen van klimaatverandering.
Om zijn veronderstellingen te testen, onderzocht Weiler twee experimentele locaties: De Ceuvel in Amsterdam en Het Schieblock in Rotterdam. Dat deed hij in opdracht van Rijksbouwmeester Floris Alkemade en het Atelier Rijksbouwmeester. In de publicatie Value-Cycle For Real-Space bundelde hij zijn inzichten over hoe transsectorale samenwerking bij informele gebiedsontwikkelingen als broedplaatsen kan bijdragen aan het creëren van maatschappelijke waarde.

VCRS-aanpak

Weiler gebruikte voor zijn onderzoek een zelfontwikkelde transsectorale aanpak: VCRS, waarbij de afkorting staat voor Value-Cycle-for Real-Space. Deze methode is gebaseerd op de onderlinge afhankelijkheid van vijf basale projectaspecten: Doelen, Deelnemers, Middelen, Services en Afspraken. “De klimaattransitie wordt vooral gezien als een economische en kwantitatieve kwestie”, zegt Weiler. “Maar ik denk dat misschien een derde van de oplossing in maatschappelijke en kwalitatieve waarde zit. Die waarde is te vinden in transsectorale samenwerking. De complexiteit daarvan, waar alles tegelijk gebeurt, wil ik met mijn VCRS-aanpak hanteerbaar maken.”
De architect voerde gesprekken met veertig betrokkenen over hun bijdrage aan broedplaatsontwikkeling. De gesprekspartners kwamen uit de twee broedplaatsen, vijf aanverwante projecten en uit een workshop. Hij sprak met stakeholders uit zeer verschillende sectoren: milieu en energie, vastgoed, circulaire techniek, cultuur, bedrijfsleven, ontwerp, overheid, finance en wetenschap over hun rol in de ontstaansgeschiedenissen.

Waardevolle broedplaatsen

Transsectoraal samenwerken aan duurzaamheid levert volgens Weiler technische én maatschappelijke waarde op. “Het is belangrijk om motivatie voor duurzaamheid te delen en te verspreiden, door te investeren in transitie-initiatieven. Maatschappelijke waarde is niet alleen een doel dat we kunnen stellen totdat de techniek een oplossing heeft. Het is ook een middel om gezamenlijk de duurzaamheidsdoelen na te streven – overheden én burgers, bedrijven en klanten, eigenheimers en immigranten, leiders en volgers, ouders en kinderen”, aldus Weiler.
Transsectorale samenwerkingen zijn volgens de architect per definitie chaotisch en complex door onder meer verschillende belangen, talen en opvattingen. “Op de bestudeerde locaties zelf is de samenwerking wel beter bevatbaar. Alle stakeholders zijn hier samen eigenaar van de situatie en de oplossing. Daardoor zijn dit soort broedplaatsen zeer waardevolle prototypes van een nieuw paradigma. Hier vormen complexiteit en diversiteit de basis voor wat nodig is voor duurzaamheid: circulariteit, solidariteit, inclusiviteit en weerbaarheid. Ze zijn dus wel complex, maar daarom ook zeer de moeite waard – niet als voorbeeld voor overal, maar wel als bron van nieuwe benaderingen.”

Lokale beleidsstukken

Bij de twee broedplaatsen constateerde Weiler vier bevorderlijke omstandigheden voor duurzame initiatieven: de tijdelijke experimenteerruimte geeft veel ruimte voor innovatie, de samenwerking tussen sectoren biedt een hoge belevingswaarde, de lotsverbintenis tussen diverse stakeholders en de plek en stabiele en capabele innovatiecoalities die samen ontwikkelkracht opbouwen. De kracht van de samenwerkingen die Weiler bestudeerde, zit in de verwikkeling van de vijf VCRS-projectaspecten die het ontwikkelproces kenmerken; de Doelen, Deelnemers, de samen ingezette Middelen voor de Services die de doelen bevorderen en de gemaakte Afspraken om de services te bestendigen. De samenhang tussen die aspecten stimuleert nieuwe technische en maatschappelijke innovaties voor een brede groep stakeholders.

Voor die innovaties moeten verschillende sectoren hun ervaringen combineren. Het gaat dus om een intermenselijk handelen tussen partijen met een verschillende afkomst, opleiding, vakgebied, generatie, etniciteit en geslacht. Dat stimuleert de innovatie en de verbindingen. Weiler waarschuwt dat het niet blijft hangen in een politiek beleidsstuk. “Het draait hier om praktijkgerichte grensoverschrijdende experimenten op fysieke plekken met een overzichtelijke schaal. Het gaat hier niet om kaderen, maar om ondernemen. Niet vanachter een computerscherm met clicks en likes, maar op een plek waar mensen samen werken, ontmoeten en leren. Dat doen ze niet per se met elkaar, maar wel bij elkaar. Ze doen het niet voor de hele wereld, maar wel voor het behapbare deel van hun open gemeenschap.”

Koppelen en bredere focus

Voor een goede voorbereiding op de gevolgen van klimaatverandering, is het volgens Weiler noodzakelijk om sectoroverschrijdende agenda’s constructief te koppelen. “Je moet transsectorale coalities maken die een pioniersrol kunnen nemen in het uitvinden van nieuwe beheers- en verdienmodellen. De waarde die daarin wordt gecreëerd, moet je niet reduceren tot financiële, economische of aandeelhouderswaarde. Dat moet ook over de maatschappelijke waarde gaan. Dat zit in gezondheid, in gemeenschap en welzijn. Die aspecten moeten óók een belangrijke rol spelen in beheers- en verdienmodellen, als aanvulling en zelfs als bron van belevingswaarde. Idealiter kunnen we zo meer maatschappelijk welzijn ontwikkelen, met minder materiële consumptie.”

Meer weten?

Lees ook het eindrapport Value-Cycle For Real-Space van Christiaan Weiler of bekijk zijn korte eindpresentatie op LinkedIn.