Het kwalitatieve verhaal centraal en de cijfers als context

Interview met Sylvia de Ruiter en Yvonne Kleinbussink van de gemeente Kampen

Veel integrale aanpakken voor het terugdringen van gezondheidsverschillen zijn nieuw. Dat maakt de opbrengsten onzeker en daarom is monitoren en evalueren heel belangrijk. Los daarvan willen natuurlijk financiers weten of hun geld goed wordt besteed en initiatiefnemers wat goed gaat en waar het beter kan. Welke data verzamel je dan? Welke methode gebruik je? En hoe beoordeel je resultaten? In Kampen werkt de gemeente met korte filmpjes van inwoners. Sylvia de Ruiter en Yvonne Kleinbussink, beide beleidsontwikkelaar Maatschappelijke Ontwikkeling, leggen uit hoe deze Minikronieken werken.

Wat kenmerkt de aanpak van Kampen op gezondheidsvlak?

“Als gemeente hebben we veel aandacht voor samenhang binnen het sociaal domein. We willen een gemeenschap zijn waar inwoners zich thuis, veilig, gekend en prettig voelen. Ook willen we het handelen vanuit eigen kracht stimuleren door ons als gemeente op te stellen als verbindende overheid. Dat betekent: minder praten over inwoners en meer faciliteren bij het oplossen van de eigen problemen. Vanuit die gedachte stimuleren wij inwoners zelf tot actie te komen en luisteren we goed naar wat de inwoner wil. Op gezondheidsgebied wilden we bijvoorbeeld de afstemming tussen professionele en vrijwillige zorg verbeteren. Zo hebben we voor het GIDS-programma gesprekken gevoerd met inwoners en professionals die zicht hebben op de praktijk.”

Hoe komt de samenhang in het sociaal domein tot uiting? Hebben jullie voorbeelden van projecten?

“In 2017 hebben we het GIDS-programma afgerond. Kampen heeft de afgelopen drie jaren 106.000 euro per jaar aan GIDS-gelden gehad voor de aanpak van gezondheidsachterstanden. Daarmee hebben we met een aantal integrale projecten inwoners geholpen meer regie op hun leven te krijgen. Vanuit het programma Financiën op Koers, dat hulp en advies geeft bij de thuisadministratie, hebben we samen met maatschappelijke partners een centraal meldpunt ingesteld. Hier werken we met inwoners toe naar meer regie en een betere gezondheid. Met het GIDS-geld hebben we ook onze gebieds- en oplossingsgerichte aanpak versterkt en meer ruimte gegeven aan bewonersinitiatieven.”

Over jullie Minikronieken gaan veel enthousiaste verhalen de ronde. Hoe zijn jullie op het idee gekomen om deze korte filmpjes van burgers te maken?

“Ter afsluiting van de GIDS-periode wilden we terugblikken op de afgelopen jaren. Daarvoor waren we op zoek naar een meer sprekende werkwijze. Meestal maak je een rapportage met veel data, maar dat vonden we niet passend voor dit programma. Bovendien is onze ervaring dat de inhoud uit dat soort rapportages minder goed opgepakt wordt. Wij vonden het daarom tijd voor een andere manier om het gezondheidsbeleid in beeld te brengen. De afgelopen jaren hebben we steeds meer aandacht besteed aan het verhaal achter de cijfers, en bijvoorbeeld gesprekken gevoerd met professionals waardoor je als lezer al meer zicht krijgt op de situatie. Met de Minikronieken zijn we een stap verder gegaan: in de filmkroniek krijgt de inwoner de hoofdrol en staat dus helemaal centraal. Onze afdeling communicatie attendeerde ons op het Verhalenhuis Kampen, dat bij de gemeente kwam met het plan om Minikronieken te maken in Kampen. In Almelo en Hengelo is eerder uitvoering gegeven aan Minikronieken.”

Hoe zijn de filmpjes tot stand gekomen?

“In september 2017 zijn we begonnen met het bepalen van de doelgroep. Daarna heeft het Verhalenhuis samen met de welzijnsorganisatie en wijkverbinders gezocht naar filmers en vertellers. Het Verhalenhuis heeft de deelnemers voorbereid in vier workshops van een halve dag, zodat ze konden filmen, monteren en geluid inbouwen en zodat ze wisten welke vragen interessant zijn en hoe je contact legt met mogelijke deelnemers. Zij hebben daarna zelf met minimale benodigdheden, zoals smartphones en een gratis computerprogramma voor videomontage, de korte filmpjes van vijf tot tien minuten met verhalen van inwoners die ondersteuning van de gemeente (hebben) ontvangen gemaakt. Het traject, van werving tot première van de Minikronieken, duurde zo’n twee maanden en kostte ongeveer 10.000 euro. Op 21 februari 2018 hadden we een première-avond van alle minikronieken met alle vertellers, filmers, medewerkers en raadsleden. Op die avond kwamen veel meer mensen dan verwacht: maar liefst 300 toeschouwers!”

Hebben de Minikronieken de evaluatie opgeleverd die jullie verwacht hadden?

“De Minikronieken vonden we een goede manier om te vertellen over gezondheid en Gezond in… Een belangrijke meerwaarde is dat je de inwoners waarom het gaat een gezicht geeft, waardoor de kijker meer inzicht krijgt in de levens en beweegredenen van inwoners uit onze gemeente. De Minikronieken geven inzicht in wat er speelt bij de doelgroep, ook voor de gefilmde mensen zelf. In alle gevallen blijkt een sociaal netwerk erg belangrijk en dat zie je niet terug in een cijfermatige rapportage. Ook laten de films de kracht van de inwoners zien, dat zie je ook niet op papier terug. Bijvoorbeeld de kracht van een inwoner die slachtoffer was van huiselijk geweld en in de bijstand belandde. Zij is heel sociaal actief en zet zich juist ook voor andere mensen in kwetsbare posities.”

Waren er, behalve de grote opkomst bij de première, nog meer verrassingen?

“Tijdens de première hebben we tien films vertoond. Aanwezige raadsleden en collegeleden waren diep geraakt en noemden het verplichte kijkkost voor de volgende gemeenteraad. Met de filmpjes zijn we dus kennelijk erin geslaagd om een onderwerp dat ver van mensen afstaat in een paar minuten dichterbij brengen. Vanwege deze mogelijkheden grijpen we bijvoorbeeld ook de gemeenteraadsverkiezingen aan om het thema onder het voetlicht te brengen. Een kanttekening is dat de Minikronieken als evaluatie van het programma Gezond in… niet een op een te gebruiken zijn; de inwoners vertellen vanuit het eigen perspectief hoe zij de situatie ervaren en hoe welke hulp hen hielp. Dat geldt ook voor de eerdere gesprekken met professionals in voorgaande jaren. Als gemeente moeten we dus met aanvullende informatie de link leggen met het programma.”

Hoe krijgen de Minikronieken een vervolg?

“We willen eerst het project goed afsluiten, omdat het filmen van de persoonlijke verhalen een intensief proces is voor de betrokken mensen. Met het Verhalenhuis praten we na met de deelnemers en we laten het ook terugkomen in gesprekken met welzijnswerkers. De deelnemers geven ook aan dat ze hieraan behoefte hebben. Deelnemers krijgen door de Minikronieken meer inzicht in hun eigen situatie en in die van een ander. Inwoners vertellen over mensen die ze tegenkomen en over de dingen die toch anders zijn dan ze dachten. Zo had het bij elkaar brengen van filmers en vertellers dus ook al effect. Wat je nu al ziet, is dat mensen nieuwe contacten leggen en leuke initiatieven nemen. De filmpjes blijven actueel en kunnen daarom gebruikt worden bij relevante bijeenkomsten. Zo wordt het filmpje over laaggeletterdheid vertoond bij bijeenkomsten over dit thema.

Hoe gaan jullie verder monitoren en evalueren in de toekomst?

“We kijken nog naar wat op ons pad komt; we staan open voor nieuwe vormen van monitoring en evaluatie voor verantwoording aan de gemeenteraad en waarvan we kunnen leren of enthousiasmeren, zoals met de Minikronieken. De nieuwe aanpak gaan we ook niet in beton gieten; zo behoud je de creativiteit en kunnen we straks de nieuwe portefeuillehouders blijven betrekken. We kiezen dus niet opnieuw voor Minikronieken, ondanks het grote succes. De impact is waarschijnlijk een tweede keer ook niet zo groot. Wel blijven we creatieve vormen zoeken waarmee we de inwoner zelf kunnen laten vertellen. Misschien vertellen ze niet direct over de impact van het programma, maar een verhaal van de doelgroep zelf werkt altijd beter dan wanneer wij als professionals vertellen.”

Hebben jullie al concrete methoden in gedachten?

“We denken eraan om de Effectenarena in te vullen, waarbij je kijkt naar welke effecten je dacht te hebben en welke je blijkt te hebben. Deze methode is voor gemeenten vaak nog moeilijk, maar het GIDS-programma leent zich goed voor een manier van experimenteren. Verder gaan we meer gebruikmaken van cijfers, ook uit een bredere context dan vanuit de eigen organisatie. Over het algemeen is dit nog een leerproces, maar we gaan bijvoorbeeld meer gebruikmaken van de cijfers van de GGD. Het aanpakken van gezondheidsachterstanden is daarnaast niet van vandaag op morgen opgelost en dat maakt het lastig om grote verschillen nu al duidelijk te maken. Daarom staat nu het kwalitatieve verhaal centraal en bieden cijfers de context eromheen. Interessante cijfers zijn bijvoorbeeld al wel wat de achterstanden precies zijn en om welke gebieden dit gaat. Op dit moment gebruiken we de cijfers ook als toets om te kijken of we terugzien wat we in de verhalen ophalen.”

Hebben jullie tips voor collega’s?

“Jazeker:

  • Sta open voor nieuwe manieren van vertellen.
  • Probeer niet vooraf alles vast te leggen. Houd ruimte open om mensen te betrekken bij veranderingen in het proces.
  • Zorg voor een goede afronding van het contact met de inwoners die je hebt betrokken.
  • Ga op zoek naar een goede mix van cijfers en verhalen, maar laat het verhaal van de inwoner centraal staan.”

Bekijk de Kamper Minikronieken

Het Vizier

Vaak is het nog maar de vraag of goedbedachte ideeën daadwerkelijk werken in de praktijk. Is de kwaliteit voor de klanten écht beter geworden? Zijn de kosten écht omlaaggegaan? Wat heeft gewerkt, wat niet? De handleiding Het Vizier – Monitoring en evaluatie helpt je om de focus van je monitoring en evaluatie scherp te krijgen, zodat je daadwerkelijk antwoord krijgt op gestelde vragen.