“Geen gebied is zo sterk veranderd als het platteland”

Interview met Gert-Jan Hospers

Begin dit jaar is de Wetenschappelijke Reflectiegroep Bevolkingsdaling opgericht. Het initiatief komt van het ministerie van Binnenlandse Zaken en het Kennisplatform Demografische Transitie (KDT), die zo de verbinding tussen wetenschap, beleid en praktijk willen versterken. Zes wetenschappers met variërende expertisegebieden zullen zich buigen over vraagstukken met betrekking tot bevolkingsdaling en regionale ontwikkeling. De komende tijd stellen we hen een voor een aan u voor.

Dit keer is de beurt aan Gert-Jan Hospers. Hij is economisch geograaf aan de Universiteit Twente en bijzonder hoogleraar aan de Radboud Universiteit, maar staat stevig met de voeten in de klei. Dat blijkt ook uit zijn nieuwste boek Slimme streken: de kracht van het platteland, waarin hij inzoomt op praktijkvoorbeelden van plattelandsvernieuwing en vraagstukken uit Oost-Nederland.

Je boek leest als een ode aan het platteland. Waarom heb je het geschreven?

Dit boek kwam tot stand om mijn visie op het onderwerp in het debat te geven. Ik wil een beeld schetsen dat verder gaat dan alleen maar constateren dat er sprake is van bevolkingsdaling op het platteland. In plaats daarvan kijk ik juist naar de kracht van een gebied en wat stad en land aan elkaar hebben en kunnen hebben. Ik richt me daarbij vooral op de situatie op het platteland, niet zozeer op bijvoorbeeld krimp in industriesteden. Dat is een ander terrein met andere oorzaken. Volgens mij heeft het daarom ook niet zo veel zin om Parkstad Limburg met de Achterhoek te vergelijken of Zeeland met Drenthe. Het zijn erg verschillende regio’s. Als kustprovincie kan Zeeland bijvoorbeeld beter kijken naar Bretagne in Frankrijk dan naar het verstedelijkte Parkstad Limburg.

Woon je zelf ook op het platteland?

Ik woon in Enschede, maar ik kijk vanuit de twaalfde verdieping van mijn flat uit over het Twentse platteland, waar ik bovendien veel kom. Mijn boek is in die zin ook geïnspireerd door mijn eigen leefomgeving. Mensen nemen altijd hun eigen wereldbeeld mee. En zeker als het om geografie gaat, is het altijd deels autobiografisch. Geografen schrijven alleen over plekken die ze goed kennen, waar ze zijn geweest. Hoewel ik veel kansen zie in mijn thuisregio Twente, merk ik vooral in de Achterhoek de snelle ontwikkelingen in de maakindustrie. In Ulft en op andere plekken werken jongeren inmiddels met cobots (coöperatieve robots). Omdat er niet genoeg arbeidskrachten zijn, is de nood hoger voor automatisering. Het leidt tot innovatie. Dat zie je wel vaker gebeuren: crisis als kans.

Uit je voorbeelden blijkt een geloof in het zelfoplossend vermogen van mensen. Wilde je dat ook laten zien in je boek?

Ja, dat vermogen is er zeker – mensen zijn zelfredzaam, zeker op het platteland. Maar wat volgens mij het beste werkt is top led, bottom fed: bestuurders die een duidelijke regionale visie ontwikkelen en van daaruit kaders stellen. Bewoners, ondernemers en het maatschappelijk middenveld kunnen vervolgens aan die visie bijdragen. Een voorbeeld: vaak zeggen dorpsbewoners dat er een nieuw fietspad in hun kern of dorpsommetje moet komen om toerisme te stimuleren. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Toeristen kijken verder dan één dorp, ze denken regionaal. Een bredere blik, afstemming en regie zijn dan ook belangrijk, niet alles wordt van onderop opgelost. Maar ik ben wel optimistisch over veel vraagstukken. We vergeten vaak dat het platteland de afgelopen jaren sterker is veranderd dan de stad. Denk aan technologische ontwikkelingen op het gebied van communicatie, waaronder internetwinkelen en e-health, maar ook op het gebied van mobiliteit, zoals de opkomst van de e-bike. Dit alles brengt voorzieningen dichterbij en maakt het leven op het platteland niet te vergelijken met vroeger. De mogelijkheid om te blijven wonen op de plek waar je het naar je zin hebt en de wereld naar je toe te halen, die is steeds groter geworden.

Maar tot nu toe heeft de komst van technologie, nieuwe communicatiemiddelen en groeiende mobiliteit mensen toch juist mobieler gemaakt en hebben ze de trek naar de stad vergroot?

Ja, daar zit ook wat in. Maar die mobiliteit heeft ook met de levensfase te maken. Het zijn vooral jongeren die voor hun studie vertrekken naar de stad. Maar als die jongeren kinderen krijgen, keren ze soms terug, of in een levensfase daarna, bijvoorbeeld als de kinderen het huis uit zijn. Ik pleit daarom voor een genuanceerde benadering. Bijvoorbeeld: we hebben allemaal termen voor de verschillende levensfasen van jonge mensen, maar niet voor ouderen. Ik denk dat het goed is om ons meer af te vragen waar mensen tegen aan lopen als ze ouder worden in hun dorp. Hoe kunnen we met beleid hun dagelijks leven op het platteland verbeteren? Dé bewoner bestaat niet. Daarom vind ik het ook altijd belangrijk om het verhaal achter de cijfers mee te nemen. Hypothesen worden vaak gepresenteerd als of-of, maar het is vaak en-en. Die nuance kunnen we goed gebruiken.

Welk thema zou je graag willen behandelen met de Wetenschappelijke Reflectiegroep Bevolkingsdaling?

Ik ben heel benieuwd naar de relatie stad-platteland en wat ze aan elkaar kunnen hebben. Er is in Nederland geen gebied zo sterk veranderd als het platteland, terwijl we nog vaak vasthouden aan een scherpe stad-landtegenstelling. Dat staat synergie in de weg. Verschillen stad en land anno 2018 echt zo van elkaar? Daar moet de discussie over komen, vind ik. Waarom worden windmolens gezien als horizonvervuiling en hoe maken we er in het landschap eyecatchers van? Wat kan de stad hebben aan lokale voedselproductie in het ommeland? Hoe kunnen we stedelingen en hun behoeften koppelen aan de sterke punten van het platteland? Dat soort cross-overs tussen stad en land vind ik interessant. Net als wat er gebeurt als je het straatniveau, de menselijke maat, verbindt met langetermijnvisies of beleidsstrategieën. Stedelijke gemeenten hebben er baat bij als ze meer naar hun ommeland kijken. Een goed voorbeeld is de gemeente Midden-Delfland, die zich profileert als een groen gebied. Zij zeggen: ‘we zijn de tuin van Rotterdam, Den Haag en Delft’.

Hoe zie jij de relatie stad-platteland over dertig jaar voor je?

Dertig jaar is een lange tijd. Wat ik daarom altijd doe is even dertig jaar terugdenken. Eind jaren tachtig zag de wereld er anders uit en maakten we ons over andere dingen druk. In de jaren tachtig waren de steden juist in zwaar weer. Als je naar de geschiedenis kijkt, zie je dat stad en platteland zich in een soort cyclus bewegen. Dan weer is de stad populair, dan weer het land. Ze zullen altijd verschillend blijven, maar de technologie gaat nog veel meer brengen. Innovatie, design en gebruiksgemak worden belangrijker. Ik denk dat juist die externe invloeden, waar we geen grip op hebben, meer impact hebben dan de interventies waar we het debat nu vaak over voeren. Op langere termijn maak ik me niet zo’n zorgen. Het vraagstuk van krimp en groei is een kwestie van veranderkunde en de een gaat nu eenmaal beter om met veranderingen dan de ander.

In ieder geval genoeg te doen dus. Wat staat er op jouw agenda voor de komende maanden en jaren?

Ik werk momenteel mee aan allerlei projecten rondom energietransitie, woningbouw, voorzieningenniveau en mobiliteit. Ook ben ik bezig met fietsgeografie. De fiets is namelijk voor vraagstukken op het gebied van gezondheid, duurzaamheid en mobiliteit een deel van de oplossing. Die praktijkprojecten doe ik binnen Stichting Stad en Regio, waar ik directeur van ben. Ik werk daarvoor samen met provincies, gemeenten, adviseurs en studenten. We proberen optimaal gebruik te maken van ieders kennis. Met zulke combinaties kun je vandaag de dag het verschil maken.

Meer informatie