De wooncoöperatie, een derde weg in de volkshuisvesting

Interview met Trevor James, voorzitter vereniging Cooplink

Cooplink is de landelijke organisatie waar wooncoöperaties (en die in spé) terecht kunnen. Het gaat goed met Cooplink, dat pas in juni 2020 formeel is opgericht als vereniging. Het aantal aangemelde initiatieven, bezoek op de website en aanmeldingen voor de nieuwsbrief stijgen per maand. Iedere drie weken vindt een druk bezochte en goed gewaardeerde online kennisdeelsessie plaats. Deze thematische sessies bieden achtergrond en laten zien hoe bewonersinitiatieven concreet met knelpunten omgaan in de praktijk. Al deze activiteiten zorgen voor een groeiend ledenaantal. Volgens de voorzitter, Trevor James, is het nodig dat wooncoöperatie-initiatieven zich aansluiten om te laten zien dat niet alleen Cooplink als organisatie belangrijk is, maar ook dat er een groeiende behoefte is in Nederland aan de coöperatieve woonvorm.

Cooplink is een netwerkorganisatie voor en van wooncoöperaties. De wooncoöperatie moet een derde weg in de volkshuisvesting worden. Waarom is de wooncoöperatie zo belangrijk en wat zijn de ambities van de Cooplink-voorzitter? Wij vroegen het hem.

“Er heerst een veronderstelling dat mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, bediend worden door woningcorporaties, en mensen die dat wel kunnen door de markt. Ik ben een groot voorstander van de woningcorporatie als institutie, maar ik zie ook dat er een groep mensen is die niet goed wordt bediend door zowel de woningcorporaties als de markt. Dat zijn vaak mensen die om verschillende redenen niet een heel hoog inkomen hebben, maar vaak wel erg maatschappelijk betrokken zijn. Mensen die in staat zijn initiatief te nemen en met vormen van collectief wonen meer te betekenen dan alleen voor zichzelf. Het is niet een heel grote groep, misschien is het maar 10 procent van de bevolking die zoiets wil, maar het is wel een significante groep.”

“Ik zie dat er bij dit soort initiatieven een grote betrokkenheid is bij het wonen, maar ook bij de omgeving. Dat uit zich bijvoorbeeld in de wens om op de allerduurzaamste manier te bouwen of te willen zorgen voor elkaar en de omgeving. Soms zijn het initiatieven die zijn gericht op een bepaalde doelgroep, maar vooral gaat het erom dat ‘alleen ook maar alleen is’ en iets collectiefs doen meer waarde heeft.”

Welke mensen willen in een wooncoöperatie wonen?

“Ik zie jongeren die in een tijd van ‘flex-constructies’ naar een mogelijkheid zoeken om in een onzekere wereld toch iets van zekerheid te hebben, in termen van wonen. Bij senioren zie ik dat veel mensen niet de behoefte hebben alleen te wonen en kiezen voor een collectief woonvorm. Niet per sé in een seniorenenclave, maar bijvoorbeeld in een gemengde-generatie initiatief. Dan kunnen zij opa of oma zijn voor de kinderen van de buren.”

Aandacht voor wooncoöperaties. Hoezo is dat nodig?

“Ik denk dat als je zou evalueren wat bestaande coöperatieve groepen betekenen voor hun omgeving, dat dat veel meer is dan een dak boven het hoofd. Bijvoorbeeld het langdurig betaalbaar houden van woningen, omdat er niet wordt gespeculeerd. Doordat wooncoöperaties veel in eigen beheer doen, met zelfwerkzaamheid, zijn de kosten laag en hoeven de huren niet zo te stijgen. Allerlei belastende regelgeving en verantwoordingseisen maken woningen voor woningcorporaties duurder om te beheren. Wooncoöperaties hebben een eenvoudiger systeem. Dat loont.”

“De aandacht voor en vraag naar wooncoöperaties neemt toe. Dat is nodig, omdat een deel van de bevolking zoiets zoekt. Maar het blijft ontzettend moeilijk om een wooncoöperatie op te zetten. Dat komt door de houding van instituties, maar ook omdat het snel wordt gezien als een niche (en dus voor overheden en banken minder belangrijk). Al in 1985 heb ik in opdracht van de SEV (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting, een voorloper van Platform31) een onderzoek gedaan over de reden waarom dit soort initiatieven niet van de grond komen. Een van de conclusies was toen al dat voorfinanciering lastig is en dat er een (revolverend) fonds zou moeten komen aanvullend op de banklening. De problemen die we nu hebben, hadden we in 1985 dus ook al. Door de jaren heen zien we dat het iets is waar behoefte aan is, maar de groepen komen nog steeds dezelfde problemen tegen.”

Om dergelijke problemen nu op te lossen wil Trevor graag massa maken en daarmee procesdoorbraken realiseren:

“Ik hoop dat het Cooplink lukt om te bundelen. Er zijn heel veel initiatieven die zich net anders noemen: centraal wonen, ecodorp, wooncoöperatie, et cetera. Ze willen geen label hebben, maar toch zou een label heel handig zijn op het moment dat je massa wil maken. Ik wil ook graag een onderzoek gaan doen naar hoeveel bestaande initiatieven er zijn. Volgens mij zijn dat er namelijk heel veel, maar ze noemen zichzelf allemaal net anders.”

Visie. Waar wil je over een paar jaar staan, wat is je droom?

“In 2030, dat is misschien iets te kort, maar dan zou ik willen dat vijf procent van de woningvoorraad bewoond wordt door een bewonersvereniging of wooncoöperatie.”

2030 is een jaar waarin we afgesproken hebben veel duurzaamheidsdoelen te hebben behaald. Dit is een mooi doel in het kader van sociale duurzaamheid. Hier zijn ‘bottom-up’ initiatieven voor nodig, maar om overheden daarvan te overtuigen moet beter worden aangetoond wat de waarde van deze initiatieven is.

“We zijn bezig met een monitor om de maatschappelijke en economische waarde van burgerinitiatieven in Nederland beter in kaart te brengen. Ik denk dat overheden meer naar bewegingen van onderop moeten kijken in plaats van naar instituties (ook al is dat makkelijker), voor het behalen van verschillende doelen. Bijvoorbeeld de door de Verenigde Naties vastgestelde Sustainable Development Goals (SDG).”

Verleden. Waar komen we vandaan?

“Eigenlijk hebben al veel langer dan sinds de jaren ’70 kleinschalige wooncollectieven. De corporaties van nu (veelal stichtingen), waren heel vroeger woonverenigingen met enkele honderden woningen en vaak een badhuis en bibliotheek. Daarvan zijn er nog enkele over. We maken het ze heel lastig, door de grote regeldruk houden ze het niet meer vol voort te bestaan en zijn ze gedwongen te fuseren met andere corporaties. Dat is heel jammer, want uit een eerder onderzoek dat ik heb gedaan naar woningcorporaties met maximaal 200 woningen bleek dat de betrokkenheid bij huurders er heel hoog was. Je kent elkaar, er was een goede sociale cohesie. Dingen die heel belangrijk zijn in deze tijd.”

Over Cooplink