Wooncoöperatie, wederopstanding of innovatie?

De gemeente Amsterdam gaat ruimte geven aan wooncoöperaties. Er komen onder andere de komende jaren locaties beschikbaar en een leenfonds van 50 miljoen euro. Maar waarom eigenlijk: is dit dé innovatieve oplossing voor onvolkomenheden in het huidige woonbestel of is het gewoon oude wijn in nieuwe zakken?

De eerste coöperatieve woonverenigingen ontstonden meer dan honderd jaar geleden. Door fusies, verkoop en diverse hervormingen in het volkshuisvestelijk beleid zijn de oorspronkelijke coöperaties vrijwel allemaal verdwenen. Maar inmiddels is deze woonvorm actueler dan ooit. Een wooncoöperatie kan namelijk woonruimte realiseren voor verschillende inkomensgroepen en, nog belangrijker, meer middeldure huurwoningen opleveren. Zij zijn dus een mogelijke vulling voor het gat tussen de sociale huur en vrije sector, dat ontstaan is door het beperkte woningaanbod voor middeninkomens.

Mensen willen tegelijkertijd meer zeggenschap over hun leefomgeving. Dat is geen vrijblijvende wens of dagdroom. Zij willen daar ook tijd en geld in investeren, zoals blijkt uit initiatieven als Land van Ons en diverse landbouw-, energie- en zorgcoöperaties. Bij een wooncoöperatie zijn de leden ook de huurders en beheerders van het vastgoed. Zij kunnen dus zélf hun woongebouw vormgeven en beheren. Dit is een mooie aanvulling op een ontwikkeling die gaande is.

Deze zeggenschap biedt ook de mogelijkheid om bijzondere woonvormen te creëren, waarbij samen leven centraal staat. Een wooncoöperatie kan zich beperken tot doorsneewoningen, maar kan ook het wonen combineren met andere aspecten in het dagelijks leven. Denk aan samen ouder worden en zorg delen of juist met meerdere generaties samenwonen. Bij aanbodgestuurde woningbouw staat vooral het beperken van afzetrisico’s centraal en leidt de focus op verkoopbaarheid vaak tot gemiddelde woonproducten. Geen wonder dus dat de wooncoöperatie in opkomst is.

Bij het eerste nieuwbouwpilotproject voor wooncoöperaties in Amsterdam zien we dat zij een uitzonderlijk gebouw kunnen ontwikkelen. Wooncoöperatie De Warren ontwikkelt namelijk op Centrumeiland (IJburg) een gebouw waarbij een derde van de oppervlakte uit gedeelde ruimten bestaat. Bovendien stellen ze hierbij de principes van de circulaire economie centraal. Zo wordt de gevel deels gemaakt van gerecyclede meerpalen. Daarnaast lukt het een netwerk van enthousiaste betrokkenen hier een complexe financieringsopgave te organiseren én delen ze de opgedane kennis met anderen.

Terug naar de beginvraag. Zijn wooncoöperaties eigenlijk een vorm van herverpakte oude wijn? Of zorgen zij werkelijk voor innovatie op de woningmarkt? Ik denk vooral het laatste. De maatschappij is namelijk behoorlijk veranderd sinds de eerste coöperaties ontstonden. We leven niet meer in een verzuilde samenleving, maar in een netwerksamenleving. We hebben geen sterk door de overheid gestuurde woningbouwproductie, maar een financieel bepaalde woningmarkt. En juist die nieuwe, deels digitale, netwerksamenleving biedt ruimte voor andere vormen van de wooncoöperatie en nieuwe vormen van nabijheid (ook in coronatijd).

De wooncoöperatie is hierdoor niet hét antwoord voor een stevige bouwproductie, maar wel een antwoord op een heleboel andere vraagstukken. De wooncoöperatie biedt een een-op-een relatie tussen huurder en verhuurder, een kortere bouwketen en blijvend betaalbare woningen. Het voorbeeld van De Warren laat zien hoe zij met mogelijkheden van de huidige tijd op een verfrissende manier invulling geven aan deze nieuwe vorm van wonen: circulaire bouw, financiering deels via crowdfunding en veel gedeelde ruimtes in een geïndividualiseerde samenleving. Dat belooft zeker wat voor de komende ontwikkelingen.