Zes tips om obstakels bij integrale verstedelijking om te zetten in kansen
Zoals: Maak fysieke en sociale belangen gelijkwaardig binnen de planologie. En breng conflicterende belangen tijdig in beeld.
In 2021 introduceerde de gemeente Delft stedelijk programmeren als vaste, integrale werkwijze om de binnenstedelijke groeiopgave te organiseren. Wouter Zweerink, planoloog bij de gemeente Delft, vertelt: “Binnenstedelijk groeien is een bewuste keuze, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Er zijn veel sectorale ambities die een plek moeten krijgen in een beperkte ruimte. Dat vraagt sturing en keuzes.” Waar samenwerking tussen disciplines eerder vooral plaatsvond in projecten, werkt de gemeente daarom sinds enkele jaren ook op stedelijk en vooral gebiedsniveau integraal samen.
Concreet ziet het stedelijk programmeren er in Delft als volgt uit: de stad is in drie gebieden opgedeeld, die elk een gebiedsteam hebben. Daarnaast is er één overkoepelend stadsteam. De vier teams bestaan uit vertegenwoordigers vanuit verschillende domeinen: ruimte, stedenbouw, mobiliteit, vastgoed, duurzaamheid, openbare ruimte, wonen, maatschappelijke voorzieningen en economie. Zweerink legt de verschillen uit: “De gebiedsteams kijken of initiatieven rondom wonen, werken en de openbare ruimte wenselijk en haalbaar zijn in het gebied. Daarnaast maken ze gebiedsbeelden1, die zij elke twee jaar actualiseren. Het stadsteam kijkt vervolgens naar urgente vraagstukken en de stadsoverstijgende voorzieningen die je niet aan één gebied kan toeschrijven.” Zo ontstaat een dynamisch, integraal kader waarop de gemeente kan sturen.
Met deze werkwijze maakt de gemeente op het juiste moment keuzes over wat waar nodig en wenselijk is. Zweerink: “Stadsbreed abstract beleid is lastig te matchen met de ruimtelijke vertaalslag op een los perceel. Met deze werkwijze zien we de verschillende ontwikkelingen en het stedelijk beleid in zijn totaliteit en kunnen we op die manier betere keuzes maken.”
Hoe ging dat dan aan het begin? Bij de gemeente Delft begeleidde adviesbureau STIPO een traject om op stedelijk niveau de organisatie beter in te richten voor groei. Hans Karssenberg, partner bij STIPO, vertelt: “De gemeente Delft dacht klaar te zijn voor de toekomst, tot er plotseling een opgave van vijftienduizend woningen en tienduizend banen op tafel kwam. Afdelingen werkten langs elkaar heen, met lange boodschappenlijstjes en zonder duidelijke keuzes. Marktpartijen namen het voortouw, terwijl de publieke kant onvoldoende grip had.” De bestaande omgevingsvisie bleek te abstract. Er was sprake van een zogenaamd ’tactisch gat’: een ontbrekend niveau tussen strategie en uitvoering.
Om deze situatie te doorbreken, vroeg de gemeente STIPO om hulp om hun nieuwe werkwijze ‘stedelijk programmeren’ verder invulling te geven. Met dit advies als basis zette Delft het stadsteam en de gebiedsteams op. Karssenberg: “De stad werd opgedeeld in drie gebieden, elk met eigen sociale en fysieke opgaven. Deze teams sturen projecten aan vanuit een gebiedsperspectief, samen met externe partners en bewoners. Het gaat niet meer om losse projecten, maar om een integrale aanpak waarin sociale, fysieke en economische doelen worden verbonden. Dialoog en samenwerking vormen de kern.”
Stedelijk programmeren is als werkwijze zorgvuldig in de gemeente verankerd, met behulp van ambtelijke werkafspraken. De gebiedsteams kregen een formele plek in het gemeentelijk initiatievenproces. De uiteindelijke besluitvorming verloopt via de reguliere ambtelijke en bestuurlijke lijnen, maar is wel gebaseerd op een integrale afweging die eerder in het proces en in de gebieden tot stand komt.
Ook bestuurlijk is stedelijk programmeren verankerd. In de afgelopen collegeperiode had de wethouder Ruimte stedelijk programmeren expliciet in de portefeuille. Andere wethouders kregen de verantwoordelijkheid voor de drie stadsgebieden. Daarmee is de werkwijze zowel ambtelijk als bestuurlijk breed gedragen. Stedelijk programmeren functioneert daarmee niet als een extra ‘laag’, maar als een manier van werken waarmee de gemeente invulling geeft aan de omgevingsvisie en integraal sturen in de praktijk brengt. Zweerink: “Stedelijk programmeren moet geen afvinklijstje zijn. Het is de bedoeling dat de hele organisatie uitdraagt dat wij met een integrale blik naar ruimtelijke ontwikkeling kijken”.
In de afgelopen vijf jaar heeft stedelijk programmeren in de gemeente Delft tot belangrijke effecten geleid:
Tegelijkertijd gaat stedelijk programmeren in Delft nog gepaard met uitdagingen. Een belangrijk knelpunt blijft het realiseren van functies die de markt niet vanzelf oppakt, zoals maatschappelijke voorzieningen, betaalbare bedrijfsruimte en kwalitatieve openbare ruimte. Zweerink: “Daarbij moeten we steeds afwegen wat de rol van de gemeente is. Dat verschilt per situatie, locatie en eigendomssituatie. We kunnen publiekrechtelijk sturen via het Omgevingsplan. Of we maken afspraken met marktpartijen over het realiseren van zulke functies. Soms kunnen we aanspraak doen op (rijks)subsidies. En ook de raad kan financiële middelen beschikbaar stellen om zelf actiever grondbeleid te voeren.”
Daarnaast is de stap van beleid naar uitvoering complex. Hoewel stedelijk programmeren helpt om integrale keuzes te maken, is het niet altijd eenvoudig om deze keuzes te vertalen naar prioritering van projecten en inzet van mensen en middelen. Zweerink legt uit: “De werkwijze is sterk inhoudelijk ingestoken, terwijl besluitvorming over capaciteit en middelen elders in de organisatie plaatsvindt. Wij zijn nog zoekende naar manieren om deze werelden beter met elkaar te verbinden.”
Zweerink ziet verbeterkansen, onder andere voor monitoring. Delft stuurt en monitort sterk op woningbouw, maar voor andere opgaven, zoals werkgelegenheid, groen, maatschappelijke voorzieningen en leefbaarheid zijn minder meetbare doelen vastgelegd. Als die doelen ontbreken, blijft monitoring deels gebaseerd op inschatting en ervaring in plaats van harde indicatoren. Dat maakt het lastig om tijdig bij te sturen op stedelijk niveau. Zweerink: “In de praktijk blijkt het lastig om, als je van je doelstellingen afwijkt, die toch elders te realiseren. Daarvoor moet je de stadsdoelen goed monitoren.” Delft zet al stappen. Zo zijn er inmiddels referentiecijfers voor maatschappelijke voorzieningen en stadsverzorgende economie. Dat stemt Zweerink positief. Het vraagt om nog scherpere keuzes maken en goede vragen stellen: wat zijn echt belangrijke plekken in de stad die versterkt moeten worden? Welke ambities kunnen soms losgelaten worden en waar is dit dan het minst erg?
Integraal werken vraagt om een voortdurende balans tussen sectorale ambities en integrale keuzes. Naast de omgevingsvisie blijft er veel sectoraal beleid bestaan, wat kan leiden tot een stapeling van ambities. Met stedelijk programmeren maakt Delft dit spanningsveld zichtbaar. Een organisatorische blauwdruk, zoals Delft ontwikkelde, helpt. Maar uiteindelijk moet je op tactisch niveau gaan samenwerken met domeinen. De belangrijkste tip van Zweerink voor andere gemeenten is dan ook: “Start gewoon. Werk samen met verschillende domeinen, leer elkaar kennen en werk aan wederzijds begrip. Daarna kun je de werkwijze verder ontwikkelen en zaken formeel inregelen.”