Meer inzicht in wat senioren beweegt om een verhuisstap te maken
Doorstroomaanpak is aan te scherpen met beter zicht op hoe senioren over woonkeuzes denken en omslagmomenten daarin.
De praktijk laat zien dat hier geen eenvoudig antwoord op bestaat. Niet een specifiek percentage of combinatie van groepen bepaalt het succes. Veel belangrijker is dat de bewonerssamenstelling, begeleiding en gemeenschap op elkaar zijn afgestemd. Uit onderzoek en de praktijk blijkt dat succesvolle woonvormen vooral ontstaan wanneer bewust wordt gestuurd op de balans in de gemeenschap.
Wie op zoek gaat naar de ideale mix, komt al snel tot de ontdekking dat die niet bestaat. In steeds meer Gemengd wonen-projecten wordt gewerkt met ongeveer 70 procent reguliere bewoners en 30 procent bewoners met een behoefte aan ondersteuning of zorg. Deze verhouding blijkt vaak voldoende draagkracht te bieden voor een stabiele gemeenschap. Erik Patist, strategisch adviseur bij Portaal: “Je zou nog iets in die 30 procent kunnen schuiven bij een lichtere doelgroep of bij intensievere ondersteuning. We kijken daar redelijk flexibel naar per project. De verhouding is namelijk ook afhankelijk van welke zorgpartij verantwoordelijk is, hoe makkelijk bewoners elkaar kunnen ontmoeten in het gebouw en welke andere voorzieningen zijn getroffen.” Aly Gruppen, onderzoeker bij het lectoraat Wonen & Welzijn van de Hogeschool Utrecht, merkt op dat in kleinere projecten een verhouding van 50/50 ook goed kan functioneren. “Bij een project met bijvoorbeeld tien woningen kennen bewoners elkaar en is er meer overzicht. We zien dat dan een andere verhouding mogelijk is.”
Bij Liv inn, een woonconcept van ouderenhuisvester Habion, wordt ook gestreefd naar ongeveer 50 procent zorgvragers en 50 procent zorgdragers, actieve bewoners die iets voor anderen kunnen betekenen. Carola van den Berg, sociaal regisseur bij Habion: “Binnen de 50 procent zorgvragers gingen we eerder uit van een gelijke verdeling tussen bewoners met een lichte, middelzware en zware zorgvraag. Inmiddels blijkt dat een groter aandeel mensen met een zwaardere zorgvraag soms nodig is om een vast zorgteam op locatie financieel haalbaar te maken. Dat is een uitdaging, want mensen met een zware Wlz-indicatie verhuizen vaak niet meer naar een nieuwe woning. Hierdoor is er een beperkte instroom van mensen met een zware zorgvraag.”
Terminologie
In Gemengd Wonen-projecten en geclusterde woonvormen voor ouderen wonen mensen met en zonder ondersteunings- of zorgbehoefte samen. Organisaties die dergelijke woonvormen ontwikkelen of beheren zoeken naar termen die niet alleen recht doen aan de behoeften maar ook aan de talenten van bewoners. Daarom spreekt men binnen Gemengd Wonen vaak over begeleide en onbegeleide bewoners. Binnen geclusterde woonvormen voor ouderen speelt deze kwestie minder en worden de termen zorgvragers en zorgdragers gebruikt.
Wat in vrijwel alle gesprekken naar voren komt, is dat niet zozeer de verdeling tussen de verschillende groepen bewoners bepalend is, maar de draagkracht van de gemeenschap als geheel. Een woonvorm heeft bewoners nodig die initiatief nemen, activiteiten organiseren, nieuwe bewoners welkom heten en verbinding leggen tussen verschillende groepen.
Onderzoeker Aly Gruppen wijst erop dat deze ‘bruggenbouwers’ cruciaal zijn. “Zij zorgen ervoor dat bewoners openstaan voor mensen die een andere achtergrond hebben of andere ervaringen meebrengen. Dat betekent niet dat iedereen actief hoeft deel te nemen aan activiteiten. Soms is een praatje op de gang, een oogje in het zeil houden of een buur helpen met een kleine vraag minstens zo waardevol.” Volgens Gruppen wordt de bijdrage van bewoners vaak te veel gekoppeld aan zichtbare activiteiten, terwijl juist het alledaagse contact de basis vormt van een sterke gemeenschap.
Ook Habion ziet het belang van vitale bewoners. Van den Berg: “In een wooncomplex in Alkmaar was op een gegeven moment de gemiddelde leeftijd erg hoog. We hebben toen de minimale leeftijd verlaagd naar 55 jaar en daardoor kwamen er meer vitale bewoners binnen, die weer een bijdrage konden leveren aan het gemeenschapsleven. We zien dat als de minimale leeftijd voor een wooncomplex 65 jaar is vooral mensen van 75 jaar en ouder naar het complex verhuizen. 65-jarigen willen daar niet wonen. Maar wanneer de minimale leeftijd 55 jaar is, stromen de 65-jarigen wel in. De gedachte is dat ze dan niet met alleen oudere mensen dan zij zelf wonen.”
De praktijk laat ook zien dat de mix niet los kan worden gezien van de zorg- en ondersteuningsbehoefte van de bewoners. Een belangrijke les is dat een grotere concentratie van bewoners met een zware ondersteuningsvraag alleen goed kan functioneren wanneer er voldoende begeleiding aanwezig is. Gruppen: “In sommige projecten lukt dat door 24-uurszorg beschikbaar te maken. Zonder voldoende ondersteuning neemt de druk op medebewoners, professionals en de gemeenschap als geheel toe.”
Habion heeft vergelijkbare ervaringen. Ank Sneekes, sociaal regisseur bij Habion: “We hebben een wooncomplex waar op een bepaald moment de helft van de bewoners jongeren met een zware ondersteuningsvraag waren. Dit was geen goede verhouding. De combinatie vroeg veel begeleiding, maakte de gemeenschap kwetsbaar en legde extra druk op professionals die toch al schaars zijn.” In de juiste verhouding en met voldoende ondersteuning kunnen dergelijke combinaties ook een positief effect hebben. Zo blijken ouderen en jongvolwassenen met autisme elkaar in sommige situaties juist goed aan te vullen. De rust, voorspelbaarheid en structuur van een seniorengemeenschap sluiten goed aan bij de behoeften van deze jongeren.
De geïnterviewden benadrukken ook het belang van selectie. Niet omdat bewoners aan allerlei strenge eisen moeten voldoen, maar omdat zij moeten weten waarvoor zij kiezen. Patist: “We werken altijd samen met een zorgorganisatie. Zij dragen bewoners vanuit de zorg aan, bij voorkeur mensen die ervoor kiezen in een gemengd wonen-complex te gaan wonen. De selectie van de reguliere huurders begint al direct bij de advertentie, waarbij we zo eerlijk mogelijk zijn over met wie je samen komt te wonen, want je moet echt voor elkaar kiezen. Als mensen niet de moeite nemen om dat door te nemen, vallen ze eigenlijk al af.”
De eerste 25 geïnteresseerden mogen een motivatieformulier invullen: “Vervolgens beoordelen twee collega’s los van elkaar de ingevulde en geanonimiseerde motivatieformulieren, en dan nodigen we er drie gegadigden uit voor een gesprek. We proberen hierbij niet te veel te kijken naar hoe goed iemand kan schrijven, maar echt naar iemands motivatie, hoe die naar voren komt. Is iemand echt bereid om een actieve bijdrage te leveren?”
Ook Habion werkt met motivatiegesprekken en betrekt huidige bewoners in het selectieproces. Geïnteresseerden schrijven een motivatiebrief en gaan in gesprek met de entreecommissie. Daarbij wordt niet gezocht naar de perfecte bewoner, maar naar mensen die passen bij het karakter van de gemeenschap. Projecten waarbij nauwelijks wordt geselecteerd of voorgelicht blijken vaker tegen problemen aan te lopen. Bewoners kiezen dan vooral voor een woning en minder voor het woonconcept. Dat leidt sneller tot teleurstellingen en conflicten over verwachtingen. Gruppen: “We raden altijd aan om vooraf goede voorlichting te geven aan alle bewoners over gemengd wonen. Wat betekent het nou om samen te wonen met mensen die bijvoorbeeld dakloos zijn geweest of ggz-problematiek hebben? Geef de voorlichting zonder namen te noemen of stigmatiserend te zijn over de doelgroep.”
Een andere belangrijke les is dat een goede mix niet vanzelf in stand blijft. Bij veel gemengd wonen-projecten wordt daarom blijvend actief gestuurd op de bewonerssamenstelling. Zowel Portaal als Habion kijken bij iedere woningmutatie samen met de betrokken zorgorganisatie naar de bestaande balans in het gebouw. Hoeveel mensen met een behoefte aan ondersteuning wonen er? Wonen er voldoende vitale bewoners? Zijn de verschillende benodigde talenten aanwezig? Is er behoefte aan iemand die activiteiten organiseert of juist aan in de tuin meehelpt? Op basis daarvan wordt bepaald wat voor persoon het beste past bij de volgende beschikbare woning. De les is duidelijk: een bewonersmix is geen eenmalige ontwerpkeuze, maar een continu proces van monitoren, bijsturen en opnieuw afwegen.
Misschien wel de belangrijkste conclusie is dat de mix slechts één onderdeel is van het succes. Minstens zo belangrijk zijn de mensen en organisaties die de gemeenschap ondersteunen. Vrijwel alle succesvolle projecten beschikken over ontmoetingsruimten, community builders, wooncoördinatoren of actieve bewonersgroepen. Zij zorgen ervoor dat bewoners elkaar leren kennen, dat activiteiten van de grond komen en problemen vroegtijdig worden gesignaleerd.
Daarnaast is samenwerking tussen corporaties, zorgorganisaties en welzijnspartijen essentieel. Uit de praktijk blijkt dat deze partijen elkaars werelden niet altijd begrijpen. Gruppen: “Wat voor een corporatie zorgelijk gedrag lijkt, hoeft voor de zorgorganisatie niet direct verontrustend te zijn. Zo was er een man die regelmatig op het balkon ging staan schreeuwen en dan na een tijdje weer naar binnen ging. Verder gebeurde er niks. De corporatie en bewoners vonden dit zorgelijk, maar volgens de zorgorganisatie ging het juist beter met hem, want hij schreeuwde alleen nog af en toe, en maakte niets meer stuk. Hij was de laatste tijd in zijn gedrag juist veel rustiger geworden. Wederzijds begrip en regelmatig overleg zijn daarom belangrijke voorwaarden voor succes.”
Het is duidelijk dat de perfecte mix niet bestaat. Wat wél bestaat, zijn woonvormen waarin bewust wordt gewerkt aan een evenwicht tussen draagkracht en ondersteuningsbehoefte, tussen zelfredzaamheid en zorg, en tussen individuele woonwensen en gemeenschapsvorming. Succesvolle woonvormen sturen daarom niet alleen op percentages, maar vooral op motivatie, begeleiding, betrokkenheid en een gemeenschap waarin bewoners elkaar weten te vinden. Uiteindelijk blijkt niet de samenstelling van de bewonersgroep doorslaggevend, maar de kwaliteit van de relaties die bewoners met elkaar opbouwen.
Voor dit artikel voerde Emma Wubbolt, stagiaire bij Platform31 (voorjaar 2026), een documentenstudie naar de mix van bewoners: wat werkt en wat niet bij het mengen van bewonersgroepen in een complex met gedeelde voorzieningen? Daarnaast sprak Emma met Aly Gruppen, docent-onderzoeker aan de Hogeschool Utrecht, en Erik Patist, strategisch adviseur volkshuisvesting bij corporatie Portaal. Susan van Klaveren interviewde Carola van den Berg en Ank Sneekes, beiden sociaal regisseur bij ouderenhuisvester Habion.