Europese samenwerking en verbinding tussen onderzoek, praktijk en beleid
Wij verbinden Nederlandse gemeenten en regio’s met Europa via URBACT, EUI en de Urban Agenda.
Thomas Verbeek, universitair docent aan de Technische Universiteit Delft, en Rihilda Keizer, senior adviseur stedenbouw bij de gemeente Delft, vertellen over het onderzoek en de samenwerking.
De 15‑minutenstad is een stad waarin bewoners binnen een kwartier wandelen of fietsen alle essentiële voorzieningen kunnen bereiken. In veel steden wordt het 15-minuten stad concept ingezet als antwoord op vraagstukken rond mobiliteit, leefbaarheid en duurzaamheid. “Maar het concept wordt vaak vrij kritiekloos toegepast”, stelt Verbeek. “Wijken buiten het centrum zijn minder in beeld. Juist in die gebieden is het lastiger om het concept te realiseren.”
Binnen het Europese project 15minESTATES onderzoeken wetenschappers en maatschappelijke partners hoe het concept van de 15‑minutenstad kan worden aangepast en geïmplementeerd voor grootschalige naoorlogse woonwijken. Delft-West is een van de praktijkcasussen. Het project stelt vragen als: welke ruimtelijke en sociale opgaven spelen in deze wijken? En wat kunnen verschillende Europese steden van elkaar leren?
Daarnaast kijken de onderzoekers hoe ze wijken kunnen veranderen, zodat mensen meer wandelen en fietsen, maar ook vaker gebruikmaken van lokale voorzieningen. “Het is altijd een combinatie,” zegt Verbeek. “Mensen moeten goede loop- en fietsinfrastructuur hebben, én plekken waar ze naartoe willen die dichtbij genoeg zijn.”
Voor de Nederlandse praktijk zocht Verbeek een lokale partner. Zijn blik viel op de twintig gebieden binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Uiteindelijk kwam hij uit bij Delft-West, waar de ambities van het project goed aansluiten bij bredere gemeentelijke ontwikkelingen.
De stad wil groeien naar een compacte stad, met meer voorzieningen, woningen en werkgelegenheid binnen bestaand stedelijk gebied. De gemeente zet in op het STOMP‑principe: stappen, trappen, openbaar vervoer, MaaS (mobility as a service) en privévervoer als laatste. Lopen vormt daarbij het uitgangspunt. Die benadering sluit direct aan bij het gedachtegoed van de 15‑minutenstad. “Het is waardevol om de onderzoeksresultaten uiteindelijk te kunnen toepassen,” zegt Keizer.
Grootschalige naoorlogse woonwijken zijn oorspronkelijk ontworpen vanuit het idee van nabijheid. Wonen, werken, onderwijs en winkels kwamen er samen. Door de decennia heen veranderden deze wijken sterk. De bevolkingssamenstelling veranderde, het dagelijks leven verplaatste zich naar buiten de wijk en sociale ontmoetingsplekken raakten verloren. “Ze zijn deels slaapwijken geworden”, aldus Verbeek.
Het ontbreken van zogenoemde third places, laagdrempelige plekken gescheiden van de thuis- en werkomgeving waar mensen elkaar ontmoeten, of het niet aantrekkelijk genoeg zijn ervan, heeft gevolgen voor de sociale cohesie. En als bewoners elkaar minder tegenkomen, worden ook wandelen en fietsen minder aantrekkelijk.
Tegelijkertijd ligt hier juist potentie. De hoge dichtheid maakt het mogelijk om nabijheid opnieuw te organiseren. Maar dat gebeurt niet vanzelf. “Mensen hebben ook ander gedrag ontwikkeld. Ze moeten de ruimte ook wíllen gebruiken. Dat is een uitdaging.”
In Delft-West zijn de wijken die worden onderzocht vrij anoniem. Veel mensen voelen zich weinig verbonden met hun buurt, voelen zich niet veilig en er is weinig sociale cohesie. Door de demografische ontwikkeling wonen er verschillende groepen, zoals migranten, studenten en oorspronkelijke bewoners, die moeilijk mengen en andere behoeften hebben.
Verbeek en Keizer proberen met 15minESTATES stap voor stap te zoeken naar kleine ingrepen om dit te doorbreken. Ze willen mensen naar buiten krijgen. “Goede stedenbouw begint bij de sociale behoeften,” zegt Keizer. Verbeek vult aan: “Het gaat om meer dan een voetpad of fietspad hebben. Veiligheid, kwaliteit van infrastructuur, aantrekkelijke ontmoetingsplekken en gedragspatronen spelen allemaal mee.”
Na de wijkanalyse wordt er nu nagedacht over zulke ingrepen die aansluiten bij de sociale behoeften. Bijvoorbeeld het verbeteren van wandelroutes, het creëren van ontmoetingsplekken en het aanbrengen van verlichting en onderhouden van groen op onveilige plekken. Ook kunnen gesloten plinten van flats een andere inrichting krijgen. Door bergingen en garageboxen te verminderen en functies toe te voegen, kunnen ze opener en aantrekkelijker worden. Samen met stakeholders (inclusief bewoners) wordt gekeken of zulke ingrepen effectief kunnen worden gerealiseerd.
Een belangrijke randvoorwaarde is vertrouwen. Het programmabureau WijWest, onderdeel van het NPLV, speelde hierin een sleutelrol. Samen met WijWest bouwde Verbeek stap voor stap een lokaal netwerk op. Het bureau fungeert als centraal aanspreekpunt en voorkomt dat bewoners worden overvraagd. Ook stelt het ruimtes beschikbaar, zoals de woonkamer WijWest, zodat bijeenkomsten zo veel mogelijk ín de wijk plaatsvinden.
Daarnaast hielpen kennismakelaars uit de City Deal Kennis Maken de onderzoekers om een netwerk op te bouwen. Deze kennismakelaars hielden zich vanuit de City Deal bezig met het verbinden, afstemmen en enthousiasmeren van bewoners, gemeente, maatschappelijke organisaties, docenten, lectoren en onderzoekers ten behoeve van praktijkgericht onderzoek. “Zij kenden de academische wereld en de leefwereld van de wijk, waardoor ze de brug konden leggen die nodig was” aldus Verbeek.
Het project is momenteel bezig met een co‑creatietraject met bewoners. Dat is complex, benadrukt Verbeek. “Door de diverse doelgroepen verschillen behoeften sterk. Wat voor de één een aangename groene fietsroute is, voelt voor een ander juist onveilig. Weinig oplossingen werken voor iedereen,” zegt hij. “Mobiliteitspatronen zijn ook diepgeworteld in de cultuur en geschiedenis van wijken. We kunnen proberen stenen te verleggen, maar moeten de lat niet te hoog leggen. Als onderzoekers kunnen we vooral randvoorwaarden verbeteren.”
Een belangrijk hulpmiddel in dit proces is de flower of proximity: een tool die op een participatieve manier kan worden ingezet om op te halen welke plekken bewoners belangrijk vinden en hoe ver deze plekken volgens hen maximaal mogen liggen.
De deelnemende wijken in Europa verschillen sterk van elkaar. Door naar andere casussen te kijken en leren welke factoren daar een rol spelen, begrijpt Verbeek de casus in Delft beter. Zo is in de wijken in Hongarije, Letland en Bulgarije het sociale weefsel sterker. “In Sofia bijvoorbeeld speelt het leven zich veel meer af in de buurt, zijn er veel ontmoetingsplekken en wordt er meer gewandeld dan in Delft,” vertelt Verbeek. “In Nederland leven mensen vaak anoniemer”. Bovendien is de bevolkingssamenstelling in deze wijken anders vergeleken met Duitsland en Nederland. Er wonen meer middenklasse gezinnen en weinig migranten.
Tegelijkertijd kunnen zij ook van Delft leren, waar de fiets veel meer gebruikt wordt dan in de andere steden. “Riga kent bijvoorbeeld een hoog autogebruik omdat er weinig voorzieningen zijn in de wijk” vertelt Verbeek. Het vraagt om maatwerk per stad.
Toch delen de steden belangrijke lessen. Wat overal terugkomt, is het belang van een stapsgewijze aanpak en het investeren in langdurige relaties. “Niet alleen de wijk in voor een enquête, maar drie jaar lang echt aanwezig zijn” zegt Verbeek. “Dat vergroot de kans dat resultaten worden gedragen door bewoners.”
De samenwerking tussen de gemeente Delft en de TU Delft verloopt goed, maar tijd blijft een knelpunt. “Drie jaar is voor dit type onderzoek eigenlijk heel kort,” zegt Verbeek. “Het kost tijd om elkaar te leren kennen en effectief samen te werken. Voor je het weet ben je anderhalf jaar verder”.
De internationale samenwerking maakt dit nog moeilijker. “Afstanden zijn groot, maar fysieke ontmoetingen zijn essentieel om betrokken te zijn en informatie uit te wisselen” stelt Keizer. Daarom hopen Verbeek en Keizer op een vervolg om voort te bouwen op wat al is ontstaan en initiatieven echt te laten doorgroeien.