Kennisoverzicht energiearmoede en isolatie
Vind praktijkvoorbeelden en tips voor gemeenten over de aanpak van energiearmoede bij woningeigenaren.
Gegevensdeling werkt pas goed als gemeenten de samenwerking en opvolging goed organiseren, en als ze de menselijke maat in het oog houden. In de aanpak van energiearmoede wordt zichtbaar wat dat voor gemeenten betekent. Ze zoeken naar manieren om inwoners gericht te bereiken, zonder dat gegevensdeling een doel op zich wordt.
Voor veel gemeenten begint de zoektocht bij dezelfde vraag: welke inwoner heeft ondersteuning nodig, en hoe komen we met deze persoon in contact? Dit is vanuit een pure data-bril bekeken niet altijd eenvoudig. Wanneer je enkel selecteert op WOZ-waarde en het energielabel krijg je een te grote groep in beeld, je zult ook moeten selecteren op andere sociaaleconomische gegevens. Maar dan moet je opnieuw een privacyafweging maken.
De gemeente Rijswijk worstelde ook met dit probleem. Daar kregen beleidsmedewerkers via het college toestemming om adressen van bijstandsgerechtigden te gebruiken voor de aanpak van energiearmoede. Vanuit het juridisch privacy-oogpunt kon het delen van persoonsgegevens van bijstandsgerechtigden met team Energie en Klimaat eigenlijk niet. Maar de zogeheten verwerkingsverantwoordelijke (college van burgemeester en wethouders) kon gemotiveerd besluiten om van dit advies af te wijken. De redenering hierbij was dat het maatschappelijk belang zwaarder woog dan eventuele risico’s op het gebied van privacy. Zo kon het team energiefixers toch juist die inwoners benaderen die waarschijnlijk baat hadden bij kleine energiebesparende maatregelen en advies.
In Rijswijk deden ze dit door via het team Inkomen en Participatie brieven te sturen over de energiefixer. Bewoners konden zich vervolgens aanmelden voor hulp of zich juist afmelden om daarmee van de adressenlijst af te komen. Deze aanpak klinkt eenvoudig, maar raakt aan een bredere organisatorische opgave. Gemeenten gebruiken gegevens uit het ene domein, bijvoorbeeld werk en inkomen, voor een opgave in een ander domein, zoals duurzaamheid of wonen. Dat vraagt om heldere afspraken over doelbinding, bewaartermijnen en verantwoordelijkheden, maar ook om een gezamenlijke opvatting over wat er ná het eerste contact gebeurt. Een energiefixer kan signalen oppikken achter de voordeur, maar is geen maatschappelijk werker. Juist daarom is een goede backoffice nodig: signalen moeten op de juiste plek terechtkomen en worden opgevolgd.
Ook de pilot Gegevensdeling tussen het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE)en gemeenten laat zien dat gegevensdeling pas waarde krijgt in de uitvoering. De deelnemende gemeenten ontvangen gegevens van inwoners die eerder steun kregen via het noodfonds, en toestemming gaven om door de gemeente benaderd te worden. De gemeente heeft vervolgens drie maanden om contact te leggen. Als er na afloop van de samenwerkingsovereenkomst met TNE nog geen contact is opgenomen, worden de gegevens verwijderd.
Die deadline maakt de opgave concreet en urgent. Het ontvangen van een adressenbestand is geen eindpunt, maar het startpunt van een uitvoeringsproces. Gemeenten moeten vooraf bepalen wie inwoners benadert, via welk kanaal, met welke boodschap en met welk aanbod. Bovendien moeten zij kunnen uitleggen waarom zij contact opnemen.
De eerste inzichten uit de pilot laten zien dat een nieuwe doelgroep in beeld komt. En áls bewoners bereikt worden, reageren zij meestal. De grootste uitdaging zit in de samenwerking tussen het fysieke en sociale domein. Daarnaast vraagt energiearmoede om een bredere aanpak van bestaanszekerheid, waarin ook partners als woningcorporaties, energieleveranciers, welzijnsorganisaties en wijkprofessionals een rol kunnen spelen.
De gemeente Groningen deed mee aan de TNE-pilot omdat zij van eerdere energiearmoede-aanpakken wist dat werken vanuit een datalijst helpt om inwoners gerichter te benaderen. Toch begon Groningen niet direct met bellen en brieven sturen. Eerst is geïnvesteerd in de samenwerking met het sociaal domein en met partners zoals welzijnsorganisaties, kansrijke gemeentelijke programma’s en de fixbrigade (energiefixers).
Vervolgens kregen 1.700 adressen een brief met QR-codes met een link naar aanvullende informatie. In de vervolgaanpak zaten verschillende contactmomenten: na de brieven volgden e-mails en daarna telefonische benadering, met name richting eigenaar-bewoners.
De aanpak leverde ook een belangrijke les op. Het telefoonnummer van een energieadviseur in de brief werd veelvuldig gebruikt, ook voor andere vragen. Dat onderstreept het belang van een goed georganiseerde opvolging en een integrale aanpak, zodat inwoners met verschillende ondersteuningsvragen op de juiste plek terechtkomen.
Andere gemeenten bevestigen dat meerdere contactmomenten nodig zijn. In Amsterdam werd circa 50 procent van de doelgroep bereikt door een combinatie van brieven, bellen en deur-aan-deurbenadering, waarbij soms tot zeven contactpogingen nodig waren. Niet alleen het aantal contactmomenten is belangrijk, ook de persoon die contact legt doet ertoe. In Land van Cuijk werken energiecoaches met kennis van zowel energie als sociaal werk. Dat laat zien dat het verbinden van domeinen niet alleen in beleid of data-infrastructuur zit, maar ook in de competenties van uitvoerende professionals.
In gesprekken over gegevensdeling wordt de AVG vaak genoemd als belemmering. Terecht vraagt het delen en combineren van gegevens om zorgvuldigheid. Actieonderzoek van IPW-Klimaatwerk en PMP over datadeling in de SPUK Lokale Aanpak Isolatie laat zien dat de AVG meer ruimte biedt dan vaak wordt gedacht. Voor hergebruik van gegevens die de gemeente al in huis heeft is bijvoorbeeld geen nieuwe grondslag nodig, zolang het hergebruik te verenigen is met het oorspronkelijke doel. Het onderzoek stippelt verder enkele juridische routes uit die gemeenten nu al kunnen bewandelen. Toch vragen ook deze routes om een goed ingebed proces, een goede uitleg en bestuurlijke steun.
In de praktijk is privacy dus niet alleen een juridische toets. Het is een ontwerpvraag aan het begin van de aanpak: welk probleem willen we oplossen, welke gegevens zijn daarvoor echt nodig, wie mag ze gebruiken, hoe lang worden ze bewaard en hoe leggen we dit uit aan inwoners?
Juist door die vragen vroeg te stellen, ontstaat ruimte om zorgvuldig te handelen én toch tot uitvoering te komen. Dat vraagt om samenwerking tussen beleidsmedewerkers, juristen, privacy officers, uitvoerders, bestuurders en communicatieprofessionals. Wanneer privacy pas aan het einde van een traject wordt besproken, ontstaat al snel vertraging of handelingsverlegenheid. Als privacy vanaf het begin onderdeel is van het ontwerp, maakt het scherp wat de gemeente wel en niet doet.
Hoewel data helpen om een deel van de doelgroep beter in beeld te brengen, ze laten nooit de hele werkelijkheid zien. Dit zien we bij verborgen energiearmoede. Sommige inwoners hebben geen hoge energierekening omdat zij de verwarming nauwelijks aanzetten om kosten te besparen. Zij komen hierdoor soms niet in beeld, of weten niet dat zij eventueel recht hebben op ondersteuning.
Daarom blijft lokale verrijking van gegevens noodzakelijk. Gemeenten kunnen data combineren met kennis uit de wijk, signalen van maatschappelijke organisaties, woningkenmerken, eerdere ondersteuning en ervaringen van uitvoerende professionals. Daarbij gaat het niet om zoveel mogelijk gegevens verzamelen, maar om betekenisvolle informatie gebruiken om de juiste benadering te kiezen. Verschillende groepen vragen immers om verschillende routes: huurders, eigenaar-bewoners, ouderen, inwoners met weinig vertrouwen in instanties of mensen die al veel stress ervaren.