banier wijkengids 2

5.6.1 Een zooitje ongeregeld


Klaas Mulder stelt in Een zooitje ongeregeld een ‘regiekoffer’ voor om de kwaliteit van het totale dienstverleningsaanbod te verbeteren:

  • Beleid gefundeerd in kennis van het hele aanbiedersveld
  • Beleid gebaseerd op goede kennis van de doelgroep – beschikbaar voor alle aanbieders
  • Bij interactieve beleidsvorming naast consumenten en professionals ook informele aanbieders uitnodigen
  • In subsidiebeleid stimuleren tot zelflerend, klantgericht beleid
  • Contractspelers primair aanspreken op hun toegevoegde waarde t.o.v. informele en commerciële aanbieders


  • Bij maatschappelijk vastgoed: ‘ondermaat plus’-principe: capaciteit voor de basisdiensten (ondermaat); voor bijzondere activiteiten kunnen aanbieders terecht in alternatieve ruimtes
  • Subsidieer niet de aanbieders, maar de afnemers van diensten
  • Gemeente maakt werk van coaching: WMO-loket helpt ook informele aanbieders bij kwaliteitsverbetering, commerciële verhuurders krijgen tips
  • Evaluatieonderzoek naar klanttevredenheid over alle typen aanbieders – met verbeterpunten


In zijn essay Een Zooitje ongeregeld onderscheidt Klaas Mulder drie geheel verschillende partijen die de gemeente kan inschakelen bij het uitvoeren van maatschappelijke diensten:

  • Formeel: Spelers die een of ander ‘contract’ met de overheid hebben: woningcorporaties, welzijnsorganisaties, culturele instellingen. De politiek is betrokken bij het vaststellen van doelstellingen en kaders. Daarmee wordt vooraf gestuurd op de te leveren prestaties en is achteraf controle en bijsturing mogelijk.
  • Informeel: Sommige lokale spelers zijn veel sterker afhankelijk van provinciale of landelijke geldstromen (onderwijs, jeugdzorg, gezondheidszorg) dan van de lokale overheid, of ze ontvangen helemaal geen subsidie. Particuliere verhuurders en commerciële ontwikkelaars zorgen voor woningen; kerken en zelforganisaties leveren welzijn en cultuur. Particulier initiatief ‘doet het zelf’, zonder contract, zonder beleidskader en met hooguit een kleine financiële bijdrage (een ‘waarderingssubsidie’).
  • Commercieel: Ook een slager die kant-en-klaarmaaltijden maakt, een commerciële kamerverhuurder kan gedreven worden door de wens om maximale kwaliteit voor de klant – en voor de samenleving – te leveren. Daar wordt wel een bijdrage voor gevraagd, maar die is beslist niet altijd hoger dan in de gesubsidieerde sector gebruikelijk is.

Een overheid die tegelijkertijd wil bezuinigen en innoveren kan proberen optimaal gebruik te maken van de rijkdom aan aanbieders. Juist een grotere inzet van particuliere en commerciële dienstverleners maakt het mogelijk contracten met gesubsidieerde aanbieders te versoberen of af te bouwen. Er is geen goedkopere dienstverlening dan niet gesubsidieerde dienstverlening. Maar als dit aanbod gedeeltelijk in de plaats komt van professioneel aanbod, dan moeten we wel manieren vinden om de kwaliteit op zijn minst op het niveau te brengen waar aanbieders zelf naar streven.

Traditionele regie-instrumenten (subsidie, contracten, huisvesting, grondbeleid) zijn niet de meest geschikte om contractloze spelers tot betere prestaties te brengen. De overheid kan ondersteunen met informatiemanagement: de dienstverlening van initiatiefnemers wordt beter als ze weten wie hun klant is, wat die wil en hoe die dat kan bereiken. De concurrentie komt pas echt op gang als het voor klanten even makkelijk is om bij een informele of commerciële, als bij een formele organisatie aan te kloppen.