banier wijkengids 2

4.6 Investeer in zelfredzaamheid


Investeer in zelfredzaamheid

Aanpak van de wijk en een persoonsgerichte benadering, maken het mogelijk om bewoners stapjes te laten maken die zicht geven op volwaardige participatie in de samenleving. Belangrijk element daarbij is het aanreiken van alternatieven, zodat bewoners en vooral jongeren zich wel moeten ontwikkelen.

Burgerkracht impliceert dat de overheid meer taken aan de samenleving overlaat:
“Bij een samenleving die mensen en bedrijven stimuleert in beweging te komen en het beste uit zichzelf te halen, past niet een overheid die in de weg loopt, maar een overheid die de weg baant.” (Troonrede 2011)


Mensen verschillen

Mensen zijn gelijk voor de wet, maar zij verschillen in mogelijkheden, behoeften en gedrag. Zij worden door andere drijfveren bewogen en stellen daarom andere eisen of wensen aan hun omgeving. Om ze te motiveren is het verstandig om ze juist op die drijfveren aan te spreken.

Rotterdam onderscheidt:

  • Sociaal sterken – redden zich zelfstandig
  • Sociaal kwetsbaren – steun nodig om zelfstandigheid terug te vinden of behouden
  • Overlevers/afglijders – hulpbehoevend
  • (Beginnende) criminelen - repressie


Eén van de centrale doelstellingen in de wijkenaanpak was het investeren in de zelfredzaamheid van mensen: hen stimuleren om de regie op hun leven te nemen, problemen weg te werken en kansen te benutten. Met de praktische uitwerking van deze doelstelling is volop ervaring opgedaan, die zich veel breder laat toepassen in het denken en handelen van gemeenten en welzijnsinstellingen. Het vormt de basis voor de verdere uitwerking van Welzijn nieuwe stijl.

Werken aan wijken stelt dat veruit de meeste mensen zichzelf redden en géén specifieke steun van de overheid nodig hebben. In de aandachtswijken zijn er echter (te)veel mensen in een achterstandssituatie – met een stapeling van sociale problemen. Dat gebrek aan zelfredzaamheid was aan het begin van de wijkenaanpak al een belangrijk thema om doorbraken op te realiseren. De wetenschappers die verbonden zijn aan de verschillende experimenten denken dat voor 10 – 15 % van de bewoners in achterstandswijken zelfredzaamheid een brug te ver is. Zij adviseren de overheid om een gedifferentieerd beleid te ontwikkelen. Of het nu onder de noemer paternalisme, beschavingsoffensief, erop af, achter de voordeur; preventief handelen plaatsvindt is een zaak van de politiek, maar de grote gezondheidsverschillen en de grote sociaal-culturele achterstand vragen om differentiatie. Gabriël Van den Brink pleit voor empathie; de bereidheid om je in te leven in deze groep mensen. Zijn pleidooi is dat hiervoor best persons nodig zijn, die in staat zijn deze brug slaan en een relatie aangaan met de mensen uit deze groep. In plaats van denken in grootschalige aanpak en korte termijn resultaten gaat het in zijn ogen veel meer om lange termijnen en een aanpak op kleine schaal (intermenselijk contact); extreme maatregelen voor een extreme groep. Vanuit het uniformiteitsbeginsel (‘iedereen is gelijk’) is deze denkwijze nog geen gemeengoed. Ook kan differentiatie een nieuwe zorg en ondersteuningsbehoefte creëren in een tijdperk van schaarse middelen en een beleid waar de kracht van mensen juist centraal staat. Vanuit gezondheid geredeneerd stelt Karien Stronks dat de overwegingen van zelfredzaamheid niet kloppen. Voor de doelgroep uit de probleemwijken is het nodig om wel pakketten aan te bieden als ‘meer bewegen’, of pakt het halen van stoppen met roken uit het verzekeringspakket verkeerd uit. Als het niet wordt aangeboden gebeurt er niks. Zij pleit ervoor het beeld over gelijkheidsdenken te doorbreken en het reguliere beleid te screenen op eigen verantwoordelijkheid en gelijkheid; het is uiteindelijk goed voor de samenleving; ‘aan het begin differentiëren om aan het eind gelijk te eindigen’. Dit debat over zelfredzaamheid zal de komende jaren verder worden gevoerd. In de tussentijd is en blijft een doel van de wijkenaanpak om mensen in achterstandswijken zelfredzaam of zelfredzamer te maken, zodat ze hun problemen weg kunnen werken en kansen voor sociale stijging kunnen benutten. Dat is maatwerk: vaak is een steuntje in de rug voldoende, maar soms vraagt het langduriger begeleiding.

Het is financieel en in menskracht niet vol te houden om alle problemen voor mensen op te lossen - en als je dat doet, zet je ze onbedoeld ook in een afhankelijkheidssituatie. De bal moet meer worden teruggespeeld. Mensen afspraken laten maken en aanspreken op hun eigen gedrag. Dan bestrijd je niet de symptomen, maar de oorzaken.

Mensen moeten in staat worden gesteld om zelf problemen weg te nemen die hun maatschappelijke participatie verhinderen. Vaak zijn dat schulden, een ontoereikende opleiding, te weinig werkervaring. Met het wegwerken van die problemen wordt de basis gelegd om mensen ook hun kansen te laten pakken voor sociale stijging. Je maakt mensen niet sterker door problemen voor ze op te lossen; je maakt ze sterker door ze in staat te stellen om zelf problemen op te lossen. Ook als er geen hulpverlener meer in de buurt is. Denk daarbij ook aan het opbouwen van een netwerk van familie, vrienden, buren die hieraan een bijdrage kunnen leveren. De deelnemers aan het experiment Achter de Voordeur stellen dan ook dat de bewoner de regie moet nemen op zijn eigen hulpverlening.

De eigen kracht-centrale

De Eigen Kracht Centrale is een netwerkorganisatie die werkt aan een samenleving waarin participatie en samenredzaamheid van burgers centraal staan en waarin burgers de zeggenschap houden over hun eigen leven, zeker in contact met organisaties en overheden.

  • In de visie van de Eigen Kracht Centrale is het belangrijk dat:
  • Iedereen erbij hoort in de samenleving en iedereen eraan kan meedoen
  • Iedereen daarbij zeggenschap en regie houdt over zijn of haar eigen leven
  • Iedereen daarbij steun krijgt van het eigen sociale netwerk: familie, vrienden, buren, e.d.
  • ... zeker als er problemen zijn en diverse (hulpverlenings)instanties een grote rol gaan spelen.

www.eigen-kracht.nl

Je faciliteert mensen om hun kansen te pakken, maar je mag ook verwachten dat ze hun eigen verantwoordelijkheid pakken. Stel mensen zelf verantwoordelijk; zij hebben rechten én plichten. En het is niet verkeerd om de afspraken in een contract vast te leggen, zoals de wijkcoaches in Enschede doen.

De Asset-Based Community Development (ABCD)-benadering laat zien hoe het investeren in zelfredzaamheid niet alleen leidt tot sterkere burgers, maar ook tot sterkere wijken.

Asset-Based Community Development (ABCD)-benadering - John McKnight
In de ABCD-benadering wordt vanuit de buurt zelf gewerkt aan in economisch, cultureel en sociaal opzicht vitale buurten. Hierbij staat het aanboren van de capaciteiten, vaardigheden en hulpbronnen (assets) die in een lokale gemeenschap aanwezig zijn, centraal. Deze worden gezocht bij individuen, (informele) lokale groepen en organisaties en lokale private, gemeentelijke en non-profit instituties.

ABCD-grondlegger John McKnight kijkt naar de volle helft van het glas (capaciteiten van mensen, kansen die in het verschiet liggen) in plaats van naar de lege helft (individuele problemen, repeterende armoede).
Revitalisering van wijken begint met een gedreven en nauwgezette zoektocht naar de al bestaande maar nog onvoldoende aangeboorde krachtbronnen in en rond een gemeenschap, in plaats van met het benoemen van behoeften, deficiënties en problemen, zoals dat in de gangbare benadering van achtergestelde wijken het geval is. Die traditionele wijkenaanpak maakt dat wijken een negatief stempel opgeplakt krijgen. Dat slechte imago ontwikkelt zich al gauw tot de enige waarheid over een buurt. De buurtbewoners worden gereduceerd (en reduceren vervolgens zichzelf) tot cliënten van allerhande dienstverlening door instituties en (non-profit) organisaties, tot mensen die weten dat ze zich als cliënt moeten opstellen om op de been te blijven of wier hele opstelling erop gericht is dat cliënt-zijn te omzeilen en het ‘systeem’ te slim af te zijn.

Dat deze aanpak ook in de Nederlandse praktijk werkt, blijkt uit het succes van bijvoorbeeld de cultuurscouts in Rotterdam en de participatiemakelaars in Amsterdam.

Ook de Communities of Practice bogen zich over de mogelijkheden om zelfsturing, sociale cohesie en zelfredzaamheid te stimuleren. Zij formuleerden de volgende lessen:

Stimuleren van zelfsturing, sociale cohesie en zelfredzaamheid

  • Bewoners moeten zelf hun wijk en leven kunnen (mee)besturen. De professional is dienstverlenend en bemiddelend.
  • Durf los te laten. Reageer niet met een beheersingsreflex.
  • Benut de kracht van muziek, theater en samen eten als verbinding.
  • Creëer alleen nieuwe ontmoetingsplekken als je wat kan toevoegen aan bestaande informele plekken.
  • Investeer gericht of spelenderwijs in de sociale vaardigheden van mensen die zich slachtoffer voelen van instituties en die het moeilijk vinden relaties op te bouwen.
  • Maak onderscheid tussen verschillende vormen van sociale verbindingen: tactische verbanden, familie- en vriendennetwerken, publieke vertrouwdheid, afstandelijke nabijheid in het portiek enz. Zo zul je mensen minder snel labelen als eenzaam en sociaal inactief.

Mensen verschillen
Alle mensen zijn gelijk voor de wet, maar zij verschillen in mogelijkheden, behoeften en gedrag. Zij worden door andere drijfveren bewogen en stellen daarom andere eisen of wensen aan hun omgeving. Om ze te motiveren is het verstandig om ze juist op die drijfveren aan te spreken.
 
Bekend is het onderscheid naar burgerschapsstijlen van Motivaction (www.motivaction.nl).
Door bewoners in een wijk in te delen naar burgerschapsstijlen kan worden gekeken naar de drijfveren van burgers en hun relatie tot de samenleving, politiek en overheid. De vier stijlen die Motivaction hanteert zijn:

  • Plichtsgetrouwen (16% van de Nederlanders),
  • Verantwoordelijken (28%),
  • Pragmatici (24%) en
  •  Buitenstaanders (32%).

Met de oriëntatie van de verschillende groepen kun je als overheid rekening houden als je bewoners wilt activeren, informeren of laten participeren. Buitenstaanders zullen bijvoorbeeld minder geneigd zijn om te participeren dan Verantwoordelijken.

Hoe dat in de praktijk doorwerkt, wordt sprekend verwoord in de Sociale Strategie Rotterdam. Rotterdam onderscheidt daarin drie –of eigenlijk vier- categorieën burgers, die elk vragen om een eigen benadering:

  • Sociaal sterken: Burgers die (bijna) volledig zelfstandig deelnemen aan de samenleving. Ook zij hebben wel eens hulp of ondersteuning nodig, maar die weten zij over het algemeen zelf of met hulp van anderen te vinden. Sociaal sterken zijn een rolmodel voor die burgers met wie het net iets minder gaat.
  • Sociaal kwetsbaren: Burgers die beïnvloedbaar of kwetsbaar zijn, door een lage opleiding, taalachterstanden, beperkingen, onvoldoende inkomen of de negatieve gevolgen van ouderdom. Deze groepen kunnen rekenen op steun van de overheid, die zich richt op het borgen van en/of terugbrengen naar zelfstandigheid en een sterkere gezondheid.
  • Overlevers/afglijders: Hulpbehoevende burgers, waaronder verslaafden, dak- en thuislozen, burgers in een multiprobleem situatie en mensen met een fysieke en/of psychische beperking die structurele ondersteuning nodig hebben. Deze burgers hebben behoefte aan hulp dicht bij huis, gericht op de meest basale zaken, en steeds met de intentie dat ze (weer) structuur in hun leven krijgen en (beetje bij beetje) de regie in eigen hand kunnen nemen.

Rotterdam laat vervolgens aan de hand van een drietal “Piramiden van sociale mobiliteit” zien op welke wijze voor deze drie groepen kan worden gewerkt aan sociale stijging.


Naast deze drie groepen is er een groep burgers die in de criminaliteit zijn beland of dreigen te belanden – variërend van meelopers die eenmalig een (klein) strafbaar feit begaan, hanggroepjongeren die af en toe kleine inbraken plegen tot bendes die medeburgers bedreigen en beroepscriminelen. Gefocust wordt op de persoonsgerichte daderaanpak, waarbij het accent wordt gelegd op potentiële daders, op preventie, op re-integratie en op nazorg. De repressieve aanpak valt primair onder het veiligheidsprogramma, maar samenwerking tussen veilig en sociaal is onontbeerlijk.