banier wijkengids 2

4.1 Van analyse naar ambities


Van analyse naar ambities

  • Ontwikkel een doordachte en inspirerende visie op de toekomst van de wijk
  • Zorg ervoor dat de analyse en visie gedeeld en gedragen worden
  • Richt je op achterstanden én krachten in de wijk
  • Leg de visie vast in een strategie die problemen terugdringt en kansen benut
  • Een strategie is geen eindproduct of stringent raamwerk
  • Zorg voor quick wins: snelle en zichtbare resultaten, vooral op schoon, heel en veilig
  • Focus vervolgens op doorbraken met een groot sneeuwbaleffect
  • Differentieer de doelstellingen


Twee vragen:

  • Is het terugbrengen van de wijk naar het stedelijk gemiddelde ambitieus genoeg?
  • Is het DNA van de wijk in beeld en wordt dat benut?


Om tot daadwerkelijke resultaten te komen in een wijk is het belangrijk goed inzicht te hebben in de aard en omvang van problemen. De feiten schrijven echter nog niet voor welke maatregelen er genomen kunnen of moeten worden. Hiervoor is een verbindende visie nodig die richting geeft aan de aanpak. Wat moet er in de wijk bereikt worden om de geconstateerde problemen terug te dringen? De visie is het bindende kader voor het kiezen van instrumenten en interventies en de uiteindelijke uitvoering door de samenwerkende partners. Dit betekent dat projecten en programma’s, hoe interessant ook, alleen de ruimte krijgen als ze een aantoonbare bijdrage leveren aan de algemene visie.
Een krachtige, inspirerende visie is richtinggevend voor al het handelen in de wijkenaanpak. Vanuit de gedeelde visie kunnen criteria worden opgesteld op basis waarvan deze keuzes worden gemaakt en vervolgens ook bestuurlijk worden uitgedragen.

De visie is een vaststaande stip op de horizon. De strategie is de wijze waarop die visie bereikt wordt – en dat mag niet een al te stringent raamwerk zijn. Zeker binnen de wijkenaanpak is een strategie naast een pad naar het te behalen resultaat vooral een gezamenlijk proces van ontdekken, leren, loskomen, van buiten naar binnen denken en van verbeelding. Het opstellen van een strategie zorgt voor het steeds verder aanbrengen van focus in de aanpak. Omdat dit gepaard gaat met lastige keuzes kost het vaak enige tijd om zover te komen. Het nadenken over de ambities, richting en toekomst stuurt dit proces en houdt de positieve energie vast.

Experts benadrukken hoe belangrijk het is een doordachte strategie te ontwikkelen in de wijkenaanpak. Juist een ambitieus verhaal over de specifieke plek maakt het verschil boven een optelsom van problemen en beleidsmaatregelen. De experts dagen professionals en andere partijen uit de standaard route ‘analyse, diagnose, interventie’ te verlaten. Het feit dat wijken vaak gekenmerkt worden door overeenkomstige problemen zoals onevenredig veel sociale huurwoningen, een gebrekkige leefbaarheid en veiligheid staat, te weinig groen en een sociaal-economisch zwakke bevolking, wil niet zeggen dat automatisch overal een oplossing voor moet worden gevonden. Vaak is het beter om de inzet te concentreren op een beperkt aantal doorbraken met een groot sneeuwbaleffect. Daarvoor moeten de kenmerken en context van de wijk centraal staan. (Kees Stob)

Ook de visitatiecommissie is van mening dat de ambities in de wijkenaanpak nog aansprekender en wervender mogen dan de afgelopen jaren het geval was. Veel gemeenten stellen als doel om hun aandachtswijk(en) binnen afzienbare tijd op een gemiddeld stedelijk niveau te brengen. De commissie vraagt zich af, of - gelet op het specifieke karakter en bevolkingssamenstelling van een wijk - dit streven in de praktijk realistisch is en daarmee demotiverend werkt. Daarnaast is het gemiddelde als doel stellen zonder meer weinig inspirerend en ambitieus, waarmee de urgentie voor de aanpak onder partijen makkelijk wordt ondergraven.

Iedere wijk heeft zijn eigen profiel, tempo, problematiek en positie binnen een stad. Dit vraagt om differentiatie in termen van sociaaleconomische doelstellingen, maatschappelijke partners die leading zijn en een heldere organisatievorm. Wat betreft het beeld voor de toekomst, is het zaak zowel ’cijfermatig’ te toetsen (meten en weten waar de achterstanden in de wijk zitten), als ook het zogenaamde DNA van de wijk te betrekken; kijken waar de kracht van de wijk zit. Op basis van deze analyse (‘wat is het uitgangspunt, hoe zit de wijk in elkaar, aan welke problemen of projecten hechten de bewoners prioriteit, wat zijn werkzame mechanismen, wat kan de wijk verder brengen?’) kunnen vervolgens per wijk speerpunten worden benoemd.

Differentiatie naar woonkarakter: verschillende strategieën voor Heechterp-Schieringen
De wijkenaanpak is per definitie een combinatie van een fysieke en een sociale aanpak. In de uitvoering daarvan is het, zeker in de tijd van de stedelijke vernieuwing zo geweest, dat wat er in sociale zin in een wijk gebeurde het gevolg was van het fysieke beleid. Omdat de woningen in sommige buurten slecht zijn en een lage huur hebben, komen daar automatisch meer mensen wonen die lager op de maatschappelijke ladder staan, meer privé problemen hebben en voor meer overlast in de wijk zorgen. De beschikbare woningen trekken dus een bepaalde bevolkingsgroep aan. De geleerde les uit het verleden is dat alleen het opknappen van de huizen geen zin heeft. De problemen van de mensen die in de huizen wonen, los je daar niet mee op. Maar achterstandswijken bieden mensen ook de mogelijkheid hun (woon)carrière ergens te beginnen, alleen al door de lagere prijzen van de woningen. Wat te doen?

Binnen de aanpak zijn er grofweg twee strategieën:
1.    De eerste is om een betere wijk te maken, waar mensen binnen hun wijk wooncarrière kunnen maken en waar mensen van buiten zich graag vestigen.
2.    De tweede strategie is om de huidige woningmarktpositie van de wijk te accepteren. Het blijft een wijk met vooral goedkope huurwoningen, en daardoor met een concentratie van mensen met weinig geld.

Leeuwarden heeft in de wijkenaanpak gekozen om fysiek op sociaal te laten volgen. Zij zetten in op de zittende bewoners en willen deze bewoners kleine stapjes op de woonladder laten maken. Leeuwarden gaat er hierbij van uit dat bewoners bij sociale stijging de wijk niet hoeven te verlaten. Of dit effectief is moet nog gaan blijken. De les die mee wordt gegeven, is om in ieder geval over een strategie na te denken en je te realiseren dat de keuze voor een bepaalde strategie gevolgen heeft voor het beleid dat je voert.

Kies je strategie 1 dan hoort een beleid van ingrijpende herstructurering en een gemengde woningvoorraad bij.
Kies je strategie 2 dat hoort daar een beleid bij van geen grootschalige woningtransformatie, maar intensiever beheer en instandhouding. Er wordt wel wat gesloopt en vervangen, maar beperkt.

De doelstelling in beide strategieën is en blijft om bewoners te helpen om een stapje vooruit te komen.
In strategie 1 heeft dit als mogelijke consequentie dat sociale stijgers in de wijk blijven
In strategie 2 heeft dit als mogelijke consequentie dat sociale stijgers voortdurend vertrekken uit de buurt.

Pieter Tordoir benadrukt in zijn essay in Werken aan Wijken deel 2 dat wijken ook moeten worden bezien in hun –met name ruimtelijk-economische- verhouding met de stad en de regio. Hij laat zien hoe maatschappelijke achterstand zich steeds meer concentreert in ‘achterstandszones’ (zone lijn 11 - Den Haag, Westelijke Tuinsteden - Amsterdam, Rotterdam Zuid) in plaats van in wijken of buurten. Hij ziet het isolement van etnische groepen in deze zones ten opzichte van de reguliere samenleving toenemen. Dit is ook (voor de laag opgeleide bevolkingsgroepen) in krimpgebieden het geval. Er is weinig tot geen contact tussen de groepen onderling. Veelal is sprake van een eigen informele economie.
Waar honderden jonge medewerkers in de technische vakken nodig zijn in bijvoorbeeld de haven of op Schiphol komt de verbinding met jongeren uit de naburige aandachtswijken niet tot stand. Weinig leerlingen in het technisch onderwijs, waarbij er ook nog een aantal uitvalt. Tordoir pleit voor liaisons / bruggenbouwers tussen grote werkgevers en doelgroepen in de achterstandszones die (1) de weg weten in geformaliseerde samenleving, maar (2) ook de informele netwerken kennen. Identificeer ze en geef ze de ruimte.