banier wijkengids 2

2.5 Goede koers, niet doorslaan


  • Wijkgericht werken biedt kansen om dichter bij de burger te komen en sectorale schotten te overstijgen
  • Leg wijkgericht werken niet op als blauwdruk
  • De wijk als schaal heeft uit perspectief van bewoners beperkte betekenis
  • Niet alle problemen zijn vanuit de schaal van de wijk op te lossen en te verklaren
  • Hoe er wordt gewerkt in een wijk is belangrijker dan dat er wijkgericht wordt gewerkt
  • Benut de mogelijkheden van het wijkgericht werken ten volle


Rapport De wijk nemen (RMO, 2009)

  • Stimuleer gericht werken, niet per se wijkgericht werken
  • Investeer in het vak van wijkcoördinator, wijkprofessional enz.
  • Waarborg een analyse met speciale aandacht voor het optimale niveau van aanpak. Betrek altijd bovenwijkse dimensies. Om wijken staan geen muren
  • Stimuleer dat professionals verantwoordelijkheid (kunnen) dragen voor hun werk. Het nemen van verantwoordelijkheid wordt gestimuleerd door overtuigende doelstellingen, gebaseerd op netwerken, creativiteit en daadkracht


Het rapport De wijk nemen (RMO, 2009) verschijnt twee jaar na de formele start van de wijkenaanpak. De RMO waarschuwt voor al te overspannen verwachtingen van het wijkgerichte werken. Het opleggen van de wijkschaal als standaardmaat werkt contraproductief. Dit haalt, zo stelt de RMO, de kracht uit het wijkgericht werken, namelijk de aansluiting bij de complexe, lokale situatie en de mogelijkheid om tussen schaalniveaus te schakelen. Het rapport van de RMO wordt door veel partijen nog steeds als zeer betekenisvol gekwalificeerd. De boodschap dat wijkgericht werken een goede koers is, maar dat er niet in doorgeslagen moet worden, is een waarschuwing en bemoediging tegelijkertijd. Het wijkgericht werken biedt kansen om dichter bij de burger te komen en sectorale schotten te overstijgen, maar om te profiteren van wijkgericht werken is het belangrijk dat:

  • Bewoners op een creatieve wijze worden uitgedaagd om zich in te zetten voor hun wijk en medebewoners
  • Professionals ondersteund worden in het wijkgericht werken via een inhoudelijke visie en het geven van vertrouwen
  • Het schakelen tussen schaalniveaus expliciet onderdeel uitmaakt van wijkgericht werken

De RMO werkt de waarschuwing om niet te vervallen in een keurslijf van wijkgericht werken uit langs een aantal lijnen:

Een citaat van de heer Van Gils (gemeentesecretaris Gemeente Rotterdam, 10 jaar Nicis, Amsterdam) maakt het onderscheid tussen ‘wat doe je sectoraal en wat binnen de wijkenaanpak’ duidelijker: “In Rotterdam werken wij gebiedsgericht en hebben wij een wijkenaanpak. Als het gaat vriezen, dan worden de strooiwagens centraal aangestuurd. Dat wil niet zeggen dat bij klachten van burgers geen maatwerk kan worden geleverd, maar wel dat wij het strooibeleid niet binnen de wijkenaanpak hebben opgenomen.”

Beperkte betekenis van de wijk vanuit het perspectief van bewoners

Strikt uitgegaan van het perspectief van burgers zelf, heeft de wijk als geografisch schaalniveau maar een beperkte betekenis, stelt de RMO in hetzelfde rapport. Burgers oriënteren zich deels op een kleinere, binnenwijkse schaal, deels op een grotere, bovenwijkse. Dat neemt niet weg dat nagenoeg alle burgers belang hebben bij een leefomgeving die goed onderhouden en veilig is en waar mensen in een zekere samenhang wonen. Doorgaans gaat het dan om het schaalniveau van de buurt of nog lager. Burgers hebben dus wel een relatie met een gebied in of gelijk aan de wijk, maar wat die relatie precies is, is moeilijk op voorhand en los van de locatiespecifieke situatie definieerbaar. Omschrijvingen in termen van belangen en sociale samenhang zijn discutabel. ‘Sociale samenhang’ is al snel een overschatting van wat bewoners met elkaar gemeen hebben, en belangen van bewoners kunnen botsen, zo laten de spanningen tussen jongeren en ouderen bijvoorbeeld zien. Ook de band van burgers met hun wijk is moeilijk vast te leggen. Deze binding is overwegend ad hoc en latent. Daarmee zijn burgers politiek niet passief. Zij zetten zich immers ook op andere schalen in, zowel bovenwijks als binnen de wijk. Ze zijn evenmin onverschillig ten opzichte van de wijk: velen zetten zich al in voor hun wijk en ook mensen die inactief zijn willen zich desgevraagd best (ad hoc) inzetten.

Niet alles vanuit de schaal van de wijk op te lossen en te verklaren

De relatie tussen maatschappelijke problemen en de wijk zijn, als het gaat om oplossingen en verklaringen niet één op één te maken. De relatie kan zijn dat oorzaken op het wijkniveau liggen, maar dat de oplossingen op een andere schaal dan de wijk moeten worden opgepakt. Of andersom. Op de vraag of de wijk het juiste schaalniveau is om zaken aan te pakken, adviseert de RMO om verder te gaan dan de ‘precieze ’ opvatting. Als we ervan uitgaan dat de aanpak van een probleem pas op wijkniveau mag plaatsvinden als de oorzaak van dat probleem ook op wijkniveau ligt (een ‘precieze’ opvatting), is de wijk maar zelden een geschikt werkterrein. Een ‘rekkelijke’ opvatting biedt meer ruimte. Wijkgericht werken kan worden ingezet, omdat op het niveau van de wijk deeloplossingen of indirecte oplossingen voor maatschappelijke problemen kunnen worden gerealiseerd. Bij zo’n rekkelijke opvatting moeten drie kanttekeningen worden geplaatst.

  • Overschatting van de relatie tussen wijk en maatschappelijke problemen. Een bovenwijks perspectief blijft noodzakelijk om wijkgericht werken succes vol te laten zijn.
  • Soms kunnen interventies op het niveau van de wijk wél verlichting bieden aan bewoners die last hebben van problemen in hun buurt, maar die interventies kunnen elders juist tot grotere problemen leiden (waterbed).
  • Een relatie tussen wijk en maatschappelijk probleem betekent niet dat het maatschappelijk probleem opgelost wordt door het tot direct onderwerp van beleidsinterventie te maken. Soms, zoals bij sociale veiligheid het geval is, is het effectiever om de voorwaarden te creëren waaronder een maatschappelijk probleem kan verminderen dan het maatschappelijk probleem direct tot onderwerp van interventie te maken. Zo lijkt het zinvoller om bewoners fysieke gelegenheden te bieden waar zij indirect sociale veiligheid vergroten dan om direct sociale cohesie op de beleidsagenda te plaatsen.

De visitatiecommissie kwam in de loop van haar bezoeken aan de verschillende wijken tot de constatering dat er een samenhang bestaat tussen de zichtbaarheid van het beleid in de wijk en de schaal van de wijk. Naarmate de wijk samenvalt met een stadsdeel dat door zijn geografische ligging (tussen infrastructuur bijvoorbeeld) als een eenheid wordt ervaren, of dat overzichtelijk van omvang is, weten instanties elkaar makkelijker te vinden, en lijkt de wijkenaanpak een grotere kans van slagen te hebben. Naarmate de wijken groter zijn, minder natuurlijke eenheden zijn, lijkt het moeilijker om het beleid ook echt te doen landen en voor bewoners zichtbaar te maken. Die situatie lijkt zich vooral voor te doen in de grote steden. De meest innovatieve wijken waren de wijken die beperkt waren in schaal en daarmee betekenisvol en behapbaar voor bewoners en professionals. Met andere woorden: een effectieve wijkenaanpak lijkt gekoppeld te zijn aan een schaal. Hoe groot die schaal is zou nader onderzocht moeten worden, maar op basis van de indrukken uit de visitatieronde neigt de commissie ernaar om de bovengrens te zoeken in de buurt van de 10.000 inwoners en 4.000 woningen. Bij de nadere vormgeving van de wijkenaanpak is het verstandig om met dit type condities rekening te houden.

Willem van Spijker komt, in zijn essay over de pleinenaanpak in Rotterdam-Zuid (Werken aan Wijken, deel 2) tot een soortgelijke conclusie met het oog op de vertrouwensrelatie:
De wijk mag trouwens ook niet te groot zijn – in verband met het kennen en gekend worden, het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Willem van Spijker pleit voor een team van frontlijnwerkers dat zich verbindt aan een wijk van maximaal een paar duizend mensen.

Gericht, niet per se wijkgericht

Druk professionals niet in een keurslijf en hang de vlag niet omdat er wijkgericht wordt gewerkt, is het advies dat de RMO, overigens in andere bewoordingen meegeeft en als volgt onderbouwd.
De afgelopen tien jaar heeft de wijk zich ontpopt als een geschikt werkgebied voor ambtenaren en professionals. Er zijn problemen te lokaliseren en het is een schaal die samenwerking in teamverband mogelijk maakt. Lokale overheden en maatschappelijke organisaties ervaren de meerwaarde van het wijkniveau: bij het opsporen van de vraag en de burger, bij het creëren van een werkplaats voor samenwerking en bij het aanpakken van maatschappelijke problemen die op wijkniveau diep met elkaar bleken samen te hangen. Dat wil niet zeggen dat de relatie van professionals met de wijk automatisch goed is en hun wijkgericht werken per definitie goed verloopt. Wijkgericht werken stelt hoge eisen aan professionaliteit, organisaties en sturingsmechanismen. Aan die eisen kan niet met vaststaande methodes worden voldaan. De relatie van professionals met de wijk is procesmatig en gedijt bij brede inzichten en creatieve oplossingen. Een hang naar standaardmethodieken en meetbaarheid doet hier afbreuk aan. Tegelijkertijd zal wijkgericht werken, wil het blijven bestaan, zijn meerwaarde moeten bestendigen.

Het wijkgericht werken leent zich goed voor het verwerven van inzicht in de specifieke problemen die spelen onder bewoners en in wijken. Met alleen die kennis kunnen professionals het wijkgericht werken echter nog niet ten volle benutten. Zij dienen ook inzicht te ontwikkelen in hoe de problemen het beste kunnen worden opgelost. Dat inzicht kan alleen ontstaan als de professionals reflecteren op het bestaande beleid en lacunes daarin kunnen identificeren en wanneer zij de aanpak ook op andere schaalniveaus dan de wijk kunnen aanvangen.

Het gaat om gericht werken, niet per se om wijkgericht werken. Dit gericht werken kan op drie manieren gestimuleerd worden:

  • Investeer als maatschappelijk middenveld en lokale overheid in het vak van wijkcoördinator, wijkprofessional enzovoort. Die gemeenten die te klein zijn voor een dergelijke impuls zouden de samenwerking met elkaar kunnen zoeken om bijvoorbeeld opleidingen, coaching en intervisie te organiseren.
  • Waarborg als overheid en als maatschappelijke organisaties dat de aanpak van maatschappelijke problemen gebaseerd is op een analyse met speciale aandacht voor de vraag wat het optimale niveau van aanpak is. Veel (deel)problemen zijn op wijkniveau aan te pakken, maar er zijn meer mogelijkheden. Betrek bij de aanpak van (de concentratie van) maatschappelijke problemen als overheid altijd bovenwijkse dimensies: van stedelijk en regionaal tot nationaal, Europees en zelfs mondiaal – om wijken staan geen muren en dat geldt zeker voor de (multi-etnische) probleemwijken. Maatschappelijke organisaties dienen eveneens te schakelen tussen schaalniveaus en ook tussen wijkgericht werken en de moederorganisatie.
  • Stimuleer als overheid en als maatschappelijke organisaties dat professionals verantwoordelijkheid (kunnen) dragen voor hun werk. Het nemen van verantwoordelijkheid wordt gestimuleerd door een duidelijke richting en overtuigende doelstellingen en juist niet door monitoren, controle en verantwoording. Formuleer die doelstellingen op basis van de kernwaarden van wijkgericht werken: netwerken, creativiteit en daadkracht.