banier wijkengids 2

2.1 Historisch overzicht


De wijkenaanpak door de jaren heen

  • Stadsvernieuwing
  • Probleemcumulatiegebieden
  • Sociale vernieuwing
  • Grote stedenbeleid
  • Fysieke herstructurering (ISV)
  • Sociale herovering 
  • Aandachtswijken (40 en 40+)



In de verschillende overzichtswerken wordt de verschuivende focus in het wijkgericht denken, werken en handelen zorgvuldig beschreven. De start van de wijkenaanpak vond plaats in 2007. In  de verschillende overzichtswerken wordt de verschuivende focus van het wijkgericht  denken, werken en handelen zorgvuldig beschreven. Wijkgericht werken kent zijn oorsprong in de jaren 70. Vanaf die periode werd in een aantal gemeenten op deze manier gewerkt. Landelijk is het in 2003 op de kaart gezet met het 56-wijkenbeleid van voormalig minister Kamp. In 2007 kreeg het een flinke impuls door de 40-wijkenaanpak van minister Vogelaar. Er werd toen gestart met 40 aandachtswijken. In 2009 en 2010 kreeg een geselecteerd aantal gemeenten met vergelijkbare problemen (40+wijken) extra geld om de wijk te verbeteren.  Wat de achtergronden en kenmerken van deze aanpak zijn, lees je in 2.3: De wijkenaanpak.

Het rijksbeleid heeft steeds nieuwe impulsen gegeven aan een wijkgerichte aanpak. Prangende maatschappelijke vraagstukken vormen een rode draad, in elke periode weer anders van aard en urgentie. Een paar fases, stadia of ontwikkelingslijnen worden hieronder kort beschreven. Achtereenvolgens de tijd van krotopruiming, de stadsvernieuwing, die werd opgevolgd door de periode van de probleemcumulatiegebieden, het grote steden beleid, de fysieke herstructurering met behulp van ISV-gelden tot de periode van nu, de aandachtswijken.

Krotopruiming

Net na de Tweede Wereldoorlog is het beleid in de steden vooral gericht op sanering, krotopruiming en reconstructie. Overal worden 'krotten' in oude wijken gesloopt om plaats te maken voor veelal economische functies (reconstructie), zoals grootschalige kantoorpanden, moderne winkelboulevards, verkeersdoorbraken en parkeergarages. Belangrijk motief is de drang om de binnensteden tot een economisch centrum te ontwikkelen.


Stadsvernieuwing

In de stadsvernieuwing vanaf eind jaren zestig komt de woningvoorraad voorop te staan. Kleinschaligheid, wonen en een zo gering mogelijke verstoring van de bestaande sociale en stedenbouwkundige structuur krijgen weer prioriteit boven de economische functie en bereikbaarheid van de stad. Het beleid verschuift zo van sloopt en reconstructie naar het 'Bouwen voor de buurt'. Voornaamste doel hiervan is het aanpakken van de grote kwaliteitsachterstand in de verkrotte vooroorlogse wijken. De fysieke aanpak plaatst men daarbij in een sociale context. Met de renovatie en nieuwbouw wordt aangesloten op de aanwezige bebouwing, sociale structuren en zittende bewoners.


Sociale vernieuwing

Begin jaren tachtig groeit in Nederland de kritiek op de stadsvernieuwing. De kritiek is met name gericht op het te fysieke karakter van het stadsvernieuwingsbeleid. De technische kwaliteitsachterstanden in de voor- en naoorlogse woningvoorraad worden wel weggewerkt, maar niet de sociaal-economische problemen. Problemen zoals werkloosheid, schoolverzuim, vandalisme, criminaliteit en spanningen tussen groepen blijven bestaan. In de tweede helft van de jaren tachtig start daarom het beleid voor 'Probleemcumulatiegebieden' (PCG-beleid). Inzet van dit beleid is  door middel van gebiedsgericht beleid en sociaal-economische maatregelen de sociale achterstanden in steden te verminderen of op te heffen. In de jaren negentig wordt dit beleid verder uitgewerkt tot wat wordt genoemd ‘de sociale vernieuwing’. De nadruk ligt hierin op het ‘wegscholen’ van mensen uit de werkloosheid, versterken van de sociale cohesie en tegengaan van verloedering en vervuiling van de woonomgeving door de bewoners meer bij de buurt te betrekken.

Grotestedenbeleid

In 1994 ontstaat het grotestedenbeleid. Dit is onderverdeeld in een fysieke, sociale en economische pijler waarbij de verbinding tussen en de onderlinge versterking van deze pijlers weer centraal stond. Het integraal werken komt voor het eerst volop in de schijnwerpers te staan. Deze integrale aanpak komt tot uiting in het bundelen van verschillende rijkssubsidies tot één integrale doeluitkering. Dit moet  een samenhangend beleid mogelijk maken. De focus van het grotestedenbeleid lijkt te verschuiven naar het niveau van de stad, maar in de praktijk blijft de aanpak van de sociale achterstanden en de leefbaarheid en veiligheid in stedelijke aandachtswijken een belangrijke pijler van het beleid. Met name in de laatste GSB-periode wordt de wijkgerichte aanpak steeds dominanter. In de GSB-periode is vanuit verschillende departementen een impuls gegeven aan wijkgericht beleid: bijvoorbeeld de 56-wijkenaanpak (VROM), Justitie-In-De-Buurt (Openbaar Ministerie) en Onze-Buurt-Aan-Zet (BZK).


Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing

Wanneer in 1997 de Nota Stedelijke Vernieuwing verschijnt, verschuift de nadruk in de aanpak van achterstandwijken naar differentiatie van de woningvoorraad en bevolking. Doelstelling is om door middel van sloop en nieuwbouw verpaupering en ruimtelijke segregatie tegen te gaan en te komen tot gemengde wijken. De geografische aandacht verplaatst zich van de binnenstadswijken naar de vroeg-naoorlogse woonwijken met voornamelijk galerijflats en portiekwoningen. Het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) maakte onderdeel uit van het Grote Stedenbeleid. Het ISV was gericht op het verbeteren van de fysieke (en sociale) leefomgeving en het binden van de midden- en hogere inkomens aan de stad.

Nieuwe coalities voor de wijk

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) bracht in 2005 het rapport Vertrouwen in de Buurt uit. In dit rapport constateert de WRR dat de sociale cohesie afbrokkelt en dat dat nadelige gevolgen heeft zoals anonimiteit, vervreemding, onveiligheid, criminaliteit en afnemend welzijn. De WRR bepleit dat  in de hot spots van onze grote steden, vaak in achterstandsbuurten, sprake moet zijn van een sterke overheid en krachtige sociale spelers, die van bovenaf beleid opleggen en dat met strakke hand uitvoeren, genoemd Sociale Herovering.


In 2006 wordt ‘Sociale herovering’ geformuleerd als doel van het programma Nieuwe coalities voor de wijk dat door de ministers Kamp, Pechtold en Nicolaï voor dertien wijken is opgestart. “We zijn de wijken en de bewoners die binnen dit programma benoemd zijn een beetje kwijtgeraakt de laatste decennia. We hebben (te) weinig aandacht en middelen besteed aan het ‘erbij’ houden van betreffende wijken en moeten nu aan de slag om de opgelopen achterstand in te halen. Achterstand, dat wel, maar zeker niet onoverbrugbaar en een van de belangrijke boodschappen is dan ook dat we nu de gelegenheid krijgen en nemen om te gaan voor onze wijken. Met als kenmerk: met en voor de bewoners, maar de gemeente heeft de regie!”.


Ongeveer tegelijkertijd verscheen het advies Stad en stijging; sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing van de VROM-raad. Met dit advies haakt de raad aan bij de opgave rondom het verbinden van de sociale en fysieke pijler en maakt duidelijk dat fysieke investeringen en maatregelen op het gebied van sociale samenhang  en leefbaarheid niet voldoende zijn. Een werkelijk effectieve stedelijke herstructurering vereist naar het oordeel van de raad ook een structurele verbetering van de individuele levenskansen van stadbewoners. Stedelijke vernieuwing moet bijdragen aan sociale stijging, waardoor stadsbewoners kunnen stijgen op de sociale ladder. Die stijging kan op allerlei manieren gestalte krijgen, via werk en scholing. Maar ook door verbetering van de woonsituatie, maatschappelijke participatie in verenigingsleven of vrijwilligerswerk, of via zinvolle vrijetijdsbesteding en verbetering van de gezondheid. Uitgangspunt daarbij vormen de ambities en mogelijkheden van individuele bewoners. Het is aan het lokaal bestuur en zijn beleidspartners om in aansluiting op deze individuele ambities en competenties, te stimuleren, ruimte te scheppen en ondersteuning te bieden.


Aandachtswijken (40 en 40+)

In maart 2007 selecteert minister Vogelaar veertig wijken in achttien gemeenten die met voorrang aangepakt zullen worden. Kort daarna publiceert zij het Actieplan Krachtwijken, dat erop is gericht in een periode van acht tot tien jaar van probleemwijken weer vitale, woon- werk- en leefomgevingen te maken. Voor de periode 2008-2011 is € 300 miljoen beschikbaar voor de wijkaanpak door het Rijk. Daarnaast investeerden de woningcorporaties in deze periode eveneens additioneel 250 miljoen per jaar in de wijken. Ook de 40+ wijken kregen financiële ondersteuning op de lokale wijkproblematiek op te lossen. Belangrijk om te vermelden is dat ongeveer een kwart van de beschikbare middelen werd geoormerkt als ‘bewonersbudgetten’: gelden die nadrukkelijk worden ingezet om initiatieven van bewoners te faciliteren. In 2011 geeft minister Donner in een brief over de toekomst van de Wijkenaanpak aan de aanpak te verbreden en verantwoordelijkheden dichter bij de burger te leggen. De minister noemt het stimuleren van leefbaarheid in steden, dorpen en krimpregio's als speerpunt; net als het benutten van de eigen kracht van bewoners. De (financiële) verantwoordelijkheid voor de leefbaarheid in steden en dorpen ligt bij lokale partijen.

Afsluitend

De rol van het Rijk om gebieden met prangende maatschappelijke problemen te verbeteren is door de jaren heen veranderd. Van directe beleidsturing, naar financieel aanjagen, naar ondersteuning door kennis en kunde. Naast de normale relatie tussen rijk en steden is een partnerschap van multi-level governance ontstaan waarbij op meerdere beleidsniveaus sprake is van een collectieve verantwoordelijkheid. De steden gaan uiteraard zelf over hun eigen beleid. Duidelijk is dat de nadruk de komende jaren komt te liggen bij samenwerkende lokale coalities. Het Rijk heeft een belangrijke impuls gegeven aan deze samenwerking op wijkniveau, met name tussen gemeente, woningcorporaties en bewoners. Ook private partijen nemen een rol, zoals zorgverzekeraars en goede doelen organisaties. Het belangrijkste is dat deze ontwikkelingen de samenwerking tussen lokale overheden, woningcorporaties, ondernemers en bewoners in veel steden flink hebben verstevigd.