Uitdagingen voor de toekomst

De rol van het Rijk om gebieden met prangende maatschappelijke problemen te verbeteren veranderde door de jaren heen. Van directe beleidsturing, naar financieel aanjagen, naar ondersteuning door kennis en kunde. Met de afronding van het GSB/ISV is de nadruk is verlegd naar samenwerkende lokale coalities. Het Rijk gaf met verschillende beleidsprogramma’s een belangrijke impuls aan de samenwerking op wijkniveau, met name tussen bewoners, gemeente, woningcorporaties, welzijns- en zorgpartijen. Vanaf 2015 deed het Rijk een stap terug. Het is nu aan deze én aan nieuwe partijen om de grote opgaven op te pakken – sociaal en fysiek – in gebieden waaraan de stedelijke renaissance voorbij lijkt te gaan.

In verschillende steden oriënteren gemeenten, corporaties, wijkteams en andere instellingen zich weer op een gebiedsgerichte aanpak om het leefklimaat van wijken te verbeteren. De impasse die het gevolg was van een economische crisis en ingrijpende beleids- en stelselwijzigingen, lijkt ten einde. Geleidelijk trekken de stofwolken weer op. Het eind 2017 aangetreden kabinet Rutte III zet de lijn van voorgaande kabinetten door: wederom is er geen rijksaandacht voor de problematiek in stedelijke gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. De bal blijft dus liggen bij lokale spelers.

Integrale oplossingen voor complexe vraagstukken

Studies en praktijkbeschrijvingen van de afgelopen vijf jaar tonen aan dat lokale partijen nog steeds volop zoekende zijn naar effectieve manieren van (samen)werken om te voorkomen dat wijken ‘door het ijs zakken’. De uitdaging waar de steden de komende jaren voor staan, is om nieuwe werkwijzen uit te vinden om integraal gebiedsgericht deze opgaven ter hand te nemen. Vast staat dat de ten tijde van het GSB/ISV gebruikelijke werkwijze – met een wijkvisie, projectorganisatie en een meerjarig uitvoeringsplan met vastomlijnde doelen en resultaten – niet meer past.

Afstemmen en verbinden

De uitdaging is om lopende trajecten en investeringen van uiteenlopende partijen in en rond de wijk, op elkaar af te stemmen. Het gaat om traditionele ‘wijkspelers’ als gemeenten, woningcorporaties en zorg- en welzijnsinstellingen, maar ook om onderwijsinstellingen, nutsbedrijven, midden- en kleinbedrijf en zorgverzekeraars. Om partijen op een lijn te krijgen én om activiteiten en werkstromen uit te lijnen, is een gedeelde visie nodig. Inhoudelijk, strategisch of procesmatig moet aansluiting worden gezocht bij de doelen en het handelingsperspectief van actoren. Niet met een meerjarig uitvoeringsplan, maar met een dynamische strategie waaraan partijen zich in wisselde coalities kunnen verbinden.

Nieuwe financieringsmodellen

Het vinden en committeren van stakeholders en mogelijke financiers die kunnen bijdragen aan het leefklimaat van kwetsbare wijken, vormen een van de belangrijkste uitdagingen. De slaagkans van een project groeit dankzij het koppelen van belangen: bijvoorbeeld woningonderhoud aan energieprestaties, zorgbehoefte, betaalbaarheid of toeleiding tot de arbeidsmarkt. Gebiedsgerichte overheidsfinanciering, kan net als in de ISV-periode, als trigger money dienen. Marktpartijen dienen zich immers zelden uit eigen beweging aan om wijkgericht te investeren. De uitdaging is om overheidsinvesteringen rond de beleidsopgaven van vandaag en (over)morgen – denk naast verduurzaming en klimaatadaptatie ook aan betaalbare zorg, onderwijsvernieuwing of de aanpak van ondermijnende criminaliteit – te bundelen en te richten, zodat ze het leefklimaat van wijken ten goede komen.

Ruimte voor maatwerk

Een aandachtspunt vormt de afstemming tussen doelen en investeringen op korte en (middel)lange termijn, zodanig dat ze elkaar kunnen ondersteunen en versterken. In de ISV-periode werden vaak concrete doelen en resultaten geformuleerd die binnen een vastgestelde termijn moesten worden behaald. In een dynamisch speelveld laten niet alle partners zich binden aan (te) dwingende kaders. Ook initiatieven ‘van onderop’ trekken zich vaak weinig aan van SMART-geformuleerde projectplannen. Ruimte voor maatwerk betekent ook dat niet elke wijk hoeft te voldoen aan het landelijk of stedelijk gemiddelde. Er mag verschil bestaan in sfeer of sociale en economische dynamiek. Wel is het belangrijk altijd de ondergrens – een basisniveau van leefbaarheid – te bewaken.

Stedelijke vernieuwing