Terugkerende dilemma’s

In de ontwikkeling van de stedelijk vernieuwing sinds het midden van de vorige eeuw, tekenen verschillende discussies en dilemma’s zich in golfbewegingen af. Ook in het huidige tijdsgewricht lijken deze noties weer relevant:

  • Moeten we wijkgericht werken en investeren, of moeten we de oplossingen zoeken (en dus investeren) op een hoger schaalniveau? Wijken zijn immers vaak de vindplaats van problemen, maar de oorzaken liggen deels op andere schaalniveaus.
  • Vernieuwen we voor de huidige bewoners met behoud van fysieke en sociale structuren, of richten we ons op verbetering van de buurt, met herstructurering en differentiatie als belangrijkste pijlers?
  • Vernieuwen we kleinschalig, van onderop mét de huidige bewoners, of grootschalig en gecentraliseerd (top-down)?
  • Hoe kunnen we fysieke ingrepen beter koppelen aan sociale ingrepen?
  • Zijn er rijksgelden of andere vormen van rijksbetrokkenheid nodig – en zo ja, in welke vorm? Of kunnen lokale stakeholders wijkvernieuwing op eigen kracht oppakken?

Waar ligt de ondergrens?

Wat opvalt sinds de Wederopbouw, is nagenoeg de afwezigheid van de discussie of we wijken die afglijden aan de markt moeten overlaten, of dat we voortijdig publiek moeten ingrijpen? Partijen in Nederland hebben, anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Groot-Brittannië, altijd gekozen voor de laatste optie. ‘Detroitisering’ is hier geen optie. Het laten vervallen van wijken (‘Verelendung’) totdat zij weer interessant worden voor nieuwe bewonersgroepen en investeerders komt in Nederland nauwelijks voor. Nog steeds bestaat van links tot rechts consensus dat de situatie in wijken als Molenbeek (Brussel) en de Parijse banlieue hier volstrekt onwenselijk is. Decennialang kozen publieke en semi-publieke partijen ervoor om met preventieve investeringen de neerwaartse spiraal van buurten vroegtijdig te doen kantelen.

DSC 0765