Grotestedenbeleid (1995-2015)

Als reactie op de kritiek van wetenschappers en stedelijke bestuurders begin jaren negentig, en op het nieuwe sociale en economische beleid van het eerste paarse kabinet, ondertekenen vijftien grote steden en het kabinet in 1995 een convenant. Dit vormt de basis voor het Grotestedenbeleid (GSB), dat uiteindelijk twee decennia zou doorlopen.

Kabinet-Kok I

In tegenstelling tot de conclusies in het Belstato-rapport, constateert het eerste paarse Kabinet-Kok (1994-1998) dat de problemen in de grote steden, wél inzet van het rijk vereisen, naast die van de steden zelf. Bovendien vergt de opgave een gezamenlijke krachtsinspanning van publieke en private partijen. De gezamenlijke aanpak vindt zijn weerslag in de convenanten die het Rijk en 25 steden in de loop van de kabinetsperiode-Kok I afsloten voor het tijdvak 1995-1999. Doelstelling is om de positie van de steden te versterken en om een tweedeling binnen steden langs sociaaleconomische, maatschappelijke en etnische lijnen te voorkomen. Steden moeten vitaal, veilig en leefbaar blijven. Het tegengaan van ruimtelijke segregatie van kansarme bewoners krijgt hierdoor meer prioriteit.

Kabinet-Kok II

Tijdens het tweede paarse kabinet-Kok komt er een minister voor Grote Steden en Integratie die budgettair medeverantwoordelijk wordt voor de rijksbudgetten. Met alle steden afzonderlijk zijn eind 1999 nieuwe afspraken gemaakt voor de periode 2000-2004.

Een belangrijk verschil met de eerste beleidsperiode vóór 2000 is dat er niet langer sprake is van financiering van afzonderlijke projecten, maar van afspraken over te bereiken resultaten aan de hand van meerjarenontwikkelingsprogramma’s (MOP’s). In de MOP’s formuleren steden hun visie en strategie voor het realiseren van de complete stad in de komende vier jaar. Er vindt een verschuiving plaats van een sturingsmodel van subsidie-project-verantwoording naar een model van visie-programma-verantwoording.

Fysiek, economie en sociaal

Het accent van het Grotestedenbeleid ligt op drie aandachtsgebieden of ‘pijlers’: de fysieke pijler (met name stedelijke vernieuwing), de economische pijler (werk en economie) en de sociale pijler (onderwijs, leefbaarheid, veiligheid, zorg). De focus van het Grotestedenbeleid lijkt te verschuiven naar het niveau van de stad, maar in de praktijk blijft de aanpak van de sociale achterstanden en de leefbaarheid en veiligheid in stedelijke aandachtswijken een belangrijke pijler van het beleid. Met name in de laatste GSB-periode (GSB III 2005-2009) wordt de wijkgerichte aanpak steeds dominanter. In de GSB-periode is vanuit verschillende departementen een impuls gegeven aan wijkgericht beleid: bijvoorbeeld de 56-wijkenaanpak (ministerie van VROM), Justitie-In-De-Buurt (Openbaar Ministerie) en Onze-Buurt-Aan-Zet (ministerie van Binnenlandse Zaken).

grotestedenbeleid