Afronding en evaluatie

Het Rijk beperkt zich na 2011 ten aanzien van de Wijkenaanpak tot een kennis- en partnerfunctie. Deze rol wordt na 2014 versterkt door de beëindiging van het ISV. In een brief aan de Tweede Kamer verklaart Minister Blok van Wonen en Rijksdienst de stedelijke vernieuwing eind 2015 afgerond. Daarmee komt een (voorlopig) einde aan een lange beleidstraditie van voortijdig en publiek ingrijpen in de ontwikkeling van kwetsbare wijken. Kapitaalintensieve vernieuwing van de stad is sinds de Tweede Wereldoorlog vanzelfsprekend in Nederland. Dit komt omdat partijen veronderstellen dat dit economisch en maatschappelijke meerwaarde oplevert. Wat is er bekend over deze meerwaarde?

Evaluatie GSB/ISV

In verschillende evaluatiestudies is geprobeerd antwoord te vinden op de vraag wat de meerwaarde is geweest van het ISV. Uit diverse studies blijkt dat het GSB/ISV aantoonbaar resultaat heeft gehad. De steden die in aanmerking kwamen voor GSB/ISV-budget stonden er beter voor dan vóór het ingezette beleid, wat voor een deel het gevolg is van dat beleid. Als positief werden genoemd in de evaluaties: de wijze van werken (bundeling van meerjarige subsidies en ontkokerd werken), de focus op wijken (waarmee in de 56 wijken een gebiedsgerichte ‘kop op het GSB/ISV’ werd gezet), de partnerschappen bij gemeenten en corporaties en het ontstane multipliereffect, dat leidde tot veel grotere investeringsstromen dan louter de rijksbijdrage. Een euro overheidsgeld (van Rijk, provincies of gemeenten) maakte tien private euro’s los voor investeringen in de leefomgeving (voornamelijk van woningcorporaties). Van de fysieke maatregelen bleken vooral nieuwbouw, de verkoop van sociale huurwoningen en investeringen in de openbare ruimte effectief om de doelstellingen van het ISV-beleid te halen. Zowel bij het vergroten van de aantrekkingskracht van de stad voor midden- en hogere inkomens, als bij het verbeteren van de veiligheid en de kwaliteit van de woonomgeving. De overwegend fysieke insteek van het ISV-beleid leidde vooral tot een verdunning van de problematiek in de kwetsbare wijken. Dit zorgde onder meer voor een statistische verbetering van de sociaal-economische positie van deze wijken.

Evaluatie krachtwijkenbeleid

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) wijdde verschillende studies aan de opbrengsten van het krachtwijkenbeleid in de 40 aandachtswijken in de periode 2008-2011. Het SCP constateert geen onderscheidende positieve leefbaarheidseffecten ten opzichte van referentiewijken in deze beperkte periode. Wel stelt het SCP vast dat het in absolute zin beter ging met de geselecteerde aandachtswijken, maar dit gold ook voor andere kwetsbare wijken. De meeste fysieke ingrepen dateerden immers al van vóór 2008 en werden breder ingezet dat de 40 wijken. Verder concludeerde het SCP dat het krachtwijkenbeleid, door de beleidsmatige aandacht en de integrale planvorming, mogelijk een agenderende werking heeft gehad waarvan ook andere wijken profiteerden. Onderzoekers van OTB wijzen erop dat de korte termijn-focus en het gebruik van grote administratieve wijkeenheden een knelpunt zijn in veel effectstudies van stedelijk beleid op buurtniveau. Op basis van registerdata van het CBS op 500 bij 500 meter grids, analyseerden zij veranderingen van de sociaaleconomische status van deze kleine gebieden over de periode 1999-2013. Ze constateren een positief effect op de sociaaleconomische status van deze buurten. Door sloop van sociale huurwoningen van matige kwaliteit en nieuwbouw van middeldure huur- en koopwoningen steeg het gemiddelde buurtinkomen omdat midden- en hogere inkomensgroepen hun weg vonden naar voormalige aandachtswijken.

Effectiviteit moeilijk ‘hard’ te maken

Op basis van deze evaluaties kan worden geconcludeerd dat de overheidsinvesteringen door middel van het GSB/ISV en daaraan gerelateerde programma’s goede opbrengsten hebben gehad. De effectiviteit van de sociale programma’s en interventies die in het kader van het krachtwijkenbeleid zijn ingezet, laten zich moeilijker ‘hard’ meetbaar maken op wijkniveau. Veel sociale investeringen hebben een lange incubatietijd en de effecten van sociale interventies worden beïnvloed door talloze contextuele factoren, zoals de conjunctuur en veranderend beleid, maar ook door verhuisbewegingen (waardoor huishoudens die van een interventie hebben geprofiteerd, mogelijk verhuisd zijn, terwijl anderen hun plaats hebben ingenomen). Dit betekent zeker niet dat deze programma’s en interventies geen invloed hebben gehad op de positieve ontwikkeling van de aandachtswijken die door het SCP, het CBS en andere onderzoekers zijn geregistreerd.

KernproblemenTijdBeleidSturing
Oorlogsschade, woningnood‘45-‘70Wederopbouw, sanering reconstructieRijk
Woningkwaliteit, 19e-eeuwse wijkenbegin ‘70 – eind ‘90StadsvernieuwingRijk → gemeente
Leefbaarheid, naoorlogse wijken, attractieve stedeneind ‘90 – ‘10GSB, ISV, wijkenaanpakGemeente, corporaties
Krimp, crisis, energie, zorg, financieringNuVernieuwing in lokale coalitiesMarkt, burgers, gemeente

De rol van het Rijk om gebieden met prangende maatschappelijke problemen te verbeteren is door de jaren heen veranderd. Van directe beleidsturing, naar financieel aanjagen, naar ondersteuning door kennis en kunde. Duidelijk is dat de nadruk de komende jaren komt te liggen bij samenwerkende lokale coalities. Het Rijk heeft met haar verschillende beleidsprogramma’s een belangrijke impuls gegeven aan deze samenwerking op wijkniveau, met name tussen bewoners, gemeente, woningcorporaties, welzijns- en zorgpartijen. Het is (voorlopig) aan deze partijen om de grote opgaven (sociaal én fysiek) in gebieden van de stad waar de stedelijke renaissance aan voorbij lijkt te gaan, op te pakken.