Stedelijke Vernieuwing - etalage

Contact

Jeroen van der Velden

Jeroen van der Velden

Projectleider

06 57 94 22 58

Frank Wassenberg

Frank Wassenberg

Senior projectleider

06 57 94 35 92

Jeroen van der Velden
Jeroen van der Velden
Projectleider

06 57 94 22 58


deel deze pagina via:


De waarde van het alledaagse

Van beleidsdrang naar bewonersperspectief in de stadswijk

Auteurs: Peter Beijer, Ellen de Groot, Jolanda Hoeflak en Vincent Platenkamp
ISBN 9789492095169, 160 pp, € 19,50

Recensie: Jeroen van der Velden, Platform31

Dit boek beschrijft het dagelijks leven in drie Brabantse wijken uit verschillende perioden van de twintigste-eeuwse stedenbouw. De beschrijvingen tonen hoe onderzoek naar het alledaagse in zijn werk gaat en pleiten tegelijkertijd voor een ander ruimtelijk en sociaal wijkbeleid: minder politiek gemotiveerd, minder ingrijpen en meer oog voor de vitaliteit van bewoners.

Een decennium geleden bliezen een aantal ontwerpers en sociologen het pleidooi voor de geleefde stad nieuw leven in. Geen nieuwe discussie (denk aan Jane Jacobs en ‘Bouwen voor de buurt’), maar wel een broodnodige. Kort samengevat hield het pleidooi in dat tegenover de beleidsmatige doelgerichte aanpak gebaseerd op stedelijke gemiddelden, er een beter inzicht moest komen in het complexe gebruik van de ruimte en informele relaties in de wijk. Dit heeft toentertijd mooie publicaties opgeleverd, zoals ‘Stadswijk’ en later ‘Atlas Westelijke Tuinsteden Amsterdam’.

De geplande stad en de geleefde stad

Het pleidooi kwam ook op het juiste moment. Van rijkswege werden de stedelijke partners gedwongen meer het oor te luisteren te leggen bij de burgers in de 40 aangewezen Vogelaarwijken, en later ook daarbuiten. In dezelfde periode begon een bredere kritiek (niet alleen vanuit bewoners) op de grootschalige herstructurering in de naoorlogse wijken, en met name op het uitwissen van sociale en stedenbouwkundige structuren. De vraag werd steeds vaker gesteld of de statistische rechtvaardiging voor de inzet van het paardenmiddel ‘de sloophamer’ wel voldoende was.

De jaren van de economische crisis en daarmee het haperen van de stedelijke herstructurering heeft deze kritiek snel doen verstommen. De tijd voor grootschalige ruimtelijke plannen was voorbij en gebiedsontwikkeling kreeg bijvoeglijke naamwoorden als ‘organische’ en ‘natuurlijke’. Noodgedwongen moesten stedelijke partners dichter ‘bij de grond’ op zoek naar partijen die nog ‘iets wilden en iets konden’. Anderen zagen hierin de kans om de geleefde stad een veel stevigere basis te geven in de planologische werkelijkheid.

De 7 magere jaren lijken inmiddels achter ons te liggen. Het is interessant om in deze periode van hernieuwde ruimtelijke druk op steden weer terug te keren bij de vraag: hoe sterk is onze blik nu op de geleefde stad? De participatiesamenleving mag dan gelanceerd zijn, heeft dit invloed gehad op de bril die beleidsmakers opzetten? De auteurs van het boek ‘De waarde van het alledaagse – Van beleidsdrang naar bewonersperspectief in de stadswijk’ zijn hier duidelijk over: er is weinig progressie geboekt in het overbruggen van de geplande stad en de geleefde stad.

Kloof tussen beleid en werkelijkheid in 3 wijken

In dit verfrissende boek staan drie gewone Brabantse wijken centraal: Theresia Tilburg, Brabantpark Breda, Kortendijk Roosendaal. Met gewoon bedoelen de auteurs ‘onopvallend en vaak voorkomend’. Geen rijke wijken, maar ook geen aandachtswijken. Ook hier bestaat een kloof tussen de dagelijkse gang van zaken in de wijk en de institutionele beleidswereld. Wijkprofessionals willen behulpzaam zijn, maar hun ingrepen druisen in tegen de alledaagse oplossingen van bewoners. Het boek geeft hier diverse voorbeelden van. Leuk zijn in dit verband de kaarten en tekeningen in het boek waaruit blijkt dat het perspectief op een plein of een straat geheel anders kan zijn vanuit bewoners en vanuit professionals.

Naturalistisch onderzoek

Deze en de vele andere interessante inzichten in het boek zijn tot stand gekomen door middel van naturalistisch onderzoek. Kenmerkend voor dit soort onderzoek is ‘een open houding voor nieuwe en onverwachte inzichten’. Het doel was om het dagelijks leven in de drie wijken ‘in kaart te brengen’ door patronen te destilleren uit vele uren van ‘observaties, luisteren naar bewoners, hun verhalen begrijpen en optekenen’. Naturalistisch onderzoek gaat dus expliciet niet op zoek naar de problemen van de wijk, maar juist naar het oplossend vermogen van bewoners zelf. Het onderzoek is hiermee niet zozeer doelloos, als wel beleidsdoel-loos.

Minder ingrijpen, meer oog voor vitaliteit bewoners

De auteurs bepleiten een soortgelijke omwenteling in het professionele vakmanschap in de wijk: minder politiek gemotiveerd, minder ingrijpen en meer oog voor de vitaliteit van bewoners zelf. Als professionals deze switch maken, zeggen de auteurs, dan ontstaan hele andere en genuanceerdere inzichten die beter tegemoet komen aan de behoeften en vermogens van bewoners. Het algemene uitgangpunt van beleid nu is dat wijken steeds minder vitaal worden en bewoners niet in staat zijn hun eigen problemen op te lossen. Het gevolg van dit uitgangspunt (in combinatie met het maakbaarheidsideaal) zijn wijken bezaait met interventies die een beleidswerkelijkheid creëren die ‘ver afstaat van de bewonerstactieken in de alledaagse werkelijkheid in die wijken’.

Heeft de introductie van de participatiesamenleving hier dan geen verbetering in gebracht? Daar hebben de auteurs hun twijfels bij. Participatie wordt nu juist vaak ingezet om beleid te effectueren, zeker in tijden van forse bezuinigingen. En dus niet om als instituties beter aan te sluiten bij bestaande strategieën van bewoners.

Vurig pleidooi voor het alledaagse

De auteurs gaan zelfs nog een stapje verder. Zij stellen: ‘professioneel handelen vernietigt sociale praktijken. […] Alles valt of staat met het perspectief dat de professional vooraf kiest.’ Anders dan dat hij nu doet, moet hij puur handelen vanuit de sociale praktijken die hij in een wijk aantreft. Basis-ingrediënten hierbij zijn terughoudendheid, een constante aanwezigheid in de wijk en opereren zonder vooropgezet plan.

De auteurs geven in ‘De waarde van het alledaagse’ een vurig pleidooi met een klinkende logica. Of het gehoor vindt bij beleidsmakers is echter maar zeer de vraag. Het budget van overheden en corporaties om oren en ogen in de wijken te plaatsen is steeds minder toereikend. Daarnaast blijven wethouders op zoek naar manieren om te scoren en zijn bestuurlijke ogen nog steeds gericht op het stedelijk statistisch gemiddelde. Maar wie zijn organisatie wil overtuigen van de kracht van het alledaagse heeft met dit boek een goed instrument in handen. Wie durft het experiment aan?!

Meer informatie

Peter Beijer, Ellen de Groot, Jolanda Hoeflak en Vincent Platenkamp, De waarde van het alledaagse, Trancity, 2016.