Stedelijke Vernieuwing - etalage

Rollen en aanbevelingen


Burger

De burger of bewoner is zowel doelgroep als initiatiefnemer voor stedelijke vernieuwing, maar zelden aandeelhouder. Het belang van burgers in het op orde houden van de stad en het draaiende houden van o.a. de lichte zorg is gegroeid, en zal groter worden. Met het risico dat burgers worden overvraagd. Dit neemt niet weg dat aan de burger, zeker de burger die wat wil initiëren, wat gevraagd mag worden. Van burgers mag gevraagd worden om de bestaande instituties het vertrouwen te geven hen te vertrouwen. Onder meer door behalve met ideeën ook met een goed uitvoeringsplan te komen. En door duidelijk te maken dat zij niet in concurrentie met de instituties zijn, maar in een behoefte voorzien.

Ondernemers

Redeneren vanuit gedeelde belangen heeft de meeste kansen, met een verdienmodel die behalve bewoners ook het bedrijf voordeel biedt. Deze verdienmodellen zijn per definitie meervoudig. Ondernemers kunnen de omzet halen die ze nodig hebben door kosten te delen en geldstromen te verbinden. Veelal de gemeenschap en niet de individuele consument vormt de basis voor ondernemen (business to community). Initiatiefnemers bundelen de vraag naar een product of dienst om meer kwaliteit tegen lagere kosten te krijgen.

Gemeente

Gemeenten hebben een centrale rol in het helpen vormgeven van het nieuwe samenspel. Allereerst door randvoorwaarden te scheppen: ambities en scenario’s benoemen in een masterplan. De verschillende typen stad benoemen en het beleid voor investeren, subsidiëren en ingrijpen erop aanpassen. Ook moeten gemeenten de basiskwaliteit benoemen die gegarandeerd moet zijn. Vervolgens zullen ze ook andere partijen moeten helpen in beweging te komen en te blijven. De gemeente moet continu de vraag durven stellen of een gebied meer aandacht nodig heeft dan wel even met rust gelaten moet worden en daarnaar handelen.

Corporaties

Corporaties bestaan om op het terrein van wonen mensen te ondersteunen die om welke reden dan ook niet in staat zijn er zelf zorg voor te dragen. Corporaties zijn over het algemeen lokaal gewortelde partijen. Voor corporaties is betaalbaarheid voor de bewoner een majeure opgave. Die staat onder druk, wat door de oplopende betalingsachterstanden en uitzettingen duidelijk wordt. Dat betekent ook preciezer kijken naar de geboden kwaliteit. Die heeft een prijs. Dat kan dus ook betekenen dat van de kwaliteit wordt afgezien. Corporaties kunnen met de gemeente hun voorraadbeleid dynamischer maken. Een actief ‘ontzamelingsbeleid’ kan de corporatie helpen om vooral daar actief te zijn waar ze het hardst nodig is. Kopen waar het mis dreigt te gaan en verkopen waar het goed gaat. Van belang is wel dat de ‘verzameling’ niet slechts die van de corporatie is: het gaat om wat er in de stad, zelfs de regio, aan goedkope woningen nodig is. Te vaak wordt in steden het verkoopbeleid niet afgestemd.

Zorg en -welzijninstellingen

Voor zorg- en welzijnsorganisaties betekenen de decentralisaties dat ze – met de gemeente als opdrachtgever – in staat moeten zijn om preciezer te zijn in waar ze meer en waar ze minder nodig zijn. Ze zullen veel meer slim moeten samenwerken met mensen en partijen die vanuit een eigen initiatief bijdragen aan de zorg – de zogenaamde informele infrastructuur.

Rijksoverheid

Het Rijk richt zich steeds meer op kennisontwikkeling en –overdracht. De rol van makelaar in kennis zal ze moeten laten liggen; daar zijn kennisinstellingen voor. Meer betekenis heeft de versnelling die het Rijk kan bieden in de ontwikkeling van kennis en de verbinding ervan met de praktijk. Het Rijk zal meer moeten sturen op ja mits, in plaats van nee tenzij: in de Omgevingswet is die omslag al zichtbaar, wat veel ruimte schept. Dat kan sterker gemaakt worden, door bij wetgeving meer de nadruk te leggen op de geest dan op de letter: de outcome, dus, in plaats van de output.