Smart Cities. Big data, civic hackers, and the quest for a new utopia


Anthony M. Townsend, Norton, New York, 2013
Isbn 9780393082876, 400 pp, € 30,95

In de recente hausse aan boeken over steden en hoe belangrijk die wel niet zijn, ontbreekt ook het onderwerp Smart Cities niet. Een van die boeken is van de hand van Anthony Townsend. Townsend is onderzoeker aan de New York University en gelieerd aan het Institute for the Future, dat zich in de kraamkamer van Smart City-technologieën bevindt: Silicon Valley. Townsend heeft de opkomst van internet en ICT van dichtbij meegemaakt en onderzoek gedaan naar de impact van die nieuwe technologieën op stedelijke ontwikkeling. Hij geldt als een internationale expert en is een veelgevraagd adviseur van steden en spreker op congressen.

In het boek Smart Cities geeft Townsend op een vlotte, essayistische manier zijn perspectief op de ontwikkelingen rondom Smart Cities. Hij windt geen doekjes om zijn standpunt. In het inleidend hoofdstuk geeft Townsend aan dat hij gelooft in wat in het Smart Cities-themanummer van S+RO van vorig jaar de bottom-up benadering wordt genoemd. In Townsends woorden: the grass roots. Townsend zet zich af tegen de technologiegiganten, zoals Siemens, Cisco en met name IBM, die met een bijna utopisch beeld van de Smart City technologieoplossingen in steden willen implementeren, onder het mom van efficiëntie. Aan de hand van bekende voorbeelden uit de geschiedenis van de stedelijke planning (vooral de clash tussen Robert Moses’ plannen voor New York en de activistische reactie daarop van Jane Jacobs), laat Townsend zien dat een dergelijke modernistische en top-down one size fits all-benadering van deze bedrijven niet de juiste weg is.

Een dergelijk geluid komt ook van een ander boek dat momenteel populair is: Against the Smart City van Adam Greenfield (2013, saillant genoeg alleen verkrijgbaar via Kindle). Dat boek is een pamflet dat de beloftes en mooie woorden over de ‘ideale’ stad waarmee de grote technologiebedrijven adverteren, fileert. Anders dan Greenfield weet Townsend hier wel een alternatief tegenover te zetten. Volgens Townsend is de invloed van technologie op de stad immers niet weg te denken en biedt de combinatie ongelofelijk veel mogelijkheden. Het is des te meer zaak met Smart Cities de goede route te kiezen.

De grass roots-benadering van Townsend kenmerkt zich door creatieve ondernemers en burgers, die lokale initiatieven en applicaties ontwikkelen. Voor Townsend draait het erom om technologie zo aan en toe te passen, dat er aantrekkelijke plaatsen ontstaan waar mensen willen wonen, werken en recreëren. De gebruiker staat centraal. De sociale component, het delen van informatie tussen gebruikers en communityvorming, is daarbij een belangrijke kracht en drijfveer.

Townsend weet zijn betoog te onderbouwen met veel projecten en initiatieven waar hij zelf bij betrokken is geweest of bekend mee is. Dit zorgt ervoor dat Townsends betoog levendig is, gelardeerd met anekdotes. Tegelijk lijkt het betoog van Townsend daardoor enigszins bevooroordeeld. Gelukkig behoudt hij wel een kritische blik. Zo geeft Townsend op een aantal plaatsen in het boek aan dat de grass roots-benadering wel een aantal nadelen of uitdagingen kent. Zijn pleidooi voor gelokaliseerde, gebiedsspecifieke toepassingen botst bijvoorbeeld met de noodzaak om op te schalen en te voorkomen dat iedereen opnieuw het wiel uitvindt en iedere stad zijn eigen sneeuwploegapp ontwikkelt. Initiatieven om kennis te delen (zoals Apps for America, of de vraag- en aanbod site CityMart) en standaarden te ontwikkelen (zoals bijvoorbeeld gebeurt via het City Protocol-initiatief), zijn daarom nodig.

Ontwikkelingen gaan bovendien langzaam. Veel grass roots-toepassingen ontstaan vanuit een behoefte van een gebruiker, niet vanwege een urgent maatschappelijk vraagstuk. Hij realiseert zich dat bestuurders nú voor urgente vragen worden gesteld, en er nú ook oplossingen worden gevraagd vanwege slinkende budgetten, knellende infrastructuur en afgesproken klimaatdoelstellingen. Het aanbod van technologiebedrijven is daardoor aantrekkelijk.

Townsend houdt hier echter vast aan zijn geloof in de grass roots. Hij wil het dominante beeld van de grote bedrijven op Smart Cities doorbreken. Het grass roots-alternatief van Townsend is aantrekkelijk, maar nog niet honderd procent overtuigend. Ook kleine initiatieven worden groot, zo laat het voorbeeld van FourSquare zien. Wint de commercie het uiteindelijk niet altijd? Het meest overtuigend is de vergelijking die Townsend elders in het boek maakt met het ontstaan van het internet. Ook hier wilden grote partijen kiezen voor één totaalsysteem, maar is gekozen voor platformonafhankelijke standaarden, waardoor het World Wide Web met behulp van allerlei partijen uitgegroeid is tot het internet zoals wij dat vandaag kennen. Ook de systemen en technologieën van Smart Cities moeten open zijn, aldus Townsend. Dit biedt de meeste ruimte voor innovatie. Door nu te kiezen voor een gesloten systeem, wordt een lock-in gecreëerd, en wordt de mogelijkheid om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen beperkt.

Townsend erkent dat dit besef inmiddels ook is doorgedrongen bij IBM en zij open systemen aan het ontwikkelen zijn. Het beeld dat Townsend, net als Greenfield, van IBM en andere techreuzen schetst is dan misschien ook wat karikaturaal. Ieder weldenkend mens zal snappen dat New Songdo of een Masdar misschien interessant prototypes zijn, maar geen realistisch alternatief voor bestaande, Westerse steden. Het gaat erom de twee werelden te verbinden, zo concludeert ook Townsend halverwege zijn boek. Er is bovendien wel degelijk een vorm van top-downsturing nodig met systemen die bijvoorbeeld de privacy garanderen. Het is zaak een balans te vinden tussen het stimuleren van ontwikkelingen en het creëren van de juiste randvoorwaarden en standaarden (in infrastructuur, bijvoorbeeld smart grids), en het open en flexibel houden van systemen, zodat er nieuwe initiatieven en innovaties kunnen ontstaan.

Met dit boek wil Townsend vooral beslissers aanspreken. De veelgestelde vraag wat een Smart City is, is niet zozeer belangrijk, maar wat je met een Smart City wil bereiken, aldus Townsend. Burgemeesters zouden hier goed over moeten nadenken, en niet zomaar hun stad als het ware verkopen aan grote bedrijven. Smart City-oplossingen brengen, net als andere oplossingen, politieke vragen met zich mee omtrent toegankelijkheid, sociale rechtvaardigheid, democratie enzovoort – het zijn geen simpele efficiencymaatregelen. Tegelijkertijd zijn de goede voorbeelden van het grass roots-alternatief nog mager. Townsend presenteert het begin van een agenda om Smart Cities op een hoger plan te tillen. De oplossing heeft Townsend niet. Smart Cities zijn work in progress: ‘We’re in it for the long hack.’ Laten we vanaf nu niet meer te lang tijd verdoen met elkaar napraten over de mislukkingen van Masdar en New Songdo en de misvattingen van grote technologiebedrijven, maar gaan werken aan echte Smart Cities. En Townsends boek markeren als omslagpunt.

Willemieke Hornis
Ministerie van Infrastructuur en Milieu
willemieke.hornis@minienm.nl

Deze recensie is eerder ook verschenen in SRO nummer 2 – 2014


tweets Smart Cities