Contact

Anne-Marie Rijssenbeek

Anne-Marie Rijssenbeek

Senior projectleider

06 57 94 37 65

Heeft het wijkteam effect?


Jochum Deuten – vrijgevestigd adviseur
Wouter Vos – Rebel Group


In veel gemeenten zijn wijkteams actief. Een ware transitie, een nieuwe manier van werken, die tal van evaluatieve vragen oproept. Werkt het? Is het beter voor de bewoner? Wordt de zelfredzaamheid bevorderd? Doen we het efficiënter? Heeft het wijkteam eigenlijk effect?

Logische en interessante vragen. Maar zo’n radicaal nieuwe manier van werken, vraagt ook om nieuwe manieren van evaluatie. Evaluatie ‘as we know it’ werkt niet.

Eerst nog even de basisingrediënten van een klassieke evaluatie op een rij. Een interventie wordt losgelaten op een doelgroep, waardoor er na verloop een verandering op treedt: het effect. En met een goede voor- en nameting maak je dit effect zichtbaar. Helemaal mooi is het als er een controlegroep is en als je dit in een min of meer gecontroleerde omgeving doet om contextfactoren uit te sluiten..

Door zorg en welzijn in wijkteams te organiseren, gooien we deze basisingrediënten echter flink los.

  1. De doelgroep wordt bijna eindeloos opgerekt. Geen eenduidige groep met een duidelijk probleem, maar alle wijkbewoners, ‘van 0 tot 100’. Ook nog eens bewoners met zeer uiteenlopende problematiek: van opvoedingsproblemen, schulden tot crimineel gedrag en activering. En dat natuurlijk ook nog eens door elkaar bij bewoners met meervoudige problematiek.

  2. Van één duidelijke interventie kunnen we niet meer spreken. Om te beginnen is het wijkteam niet de interventie. Dat is een aanpak, een manier van organiseren. De echte interventies krijgen vorm aan de keukentafel, samen met de bewoner. Het is de interventie die effect sorteert, niet het wijkteam. En deze interventies zijn enorm verschillend. Bij sommige wijkteamprofessionals gaat dat weloverwogen, bijvoorbeeld omdat ze werken volgens de sociale netwerk strategie of op gepaste momenten een ecogram inzetten. Soms gaat het meer ‘intuïtief’. Persoonlijke competentie en ervaring spelen een grote rol. Het is zeer wel mogelijk dat dezelfde bewoner met het ene wijkteamlid komt tot andere interventies, dan met het andere wijkteamlid.

  3. In veel gevallen treedt er een positieve verandering op (effect!). Maar welk effect dat precies is, dat verschilt van bewoner tot bewoner. Niet alleen omdat de bewoners dus erg verschillen, en de interventies ook, maar ook omdat de persoonlijke context van grote invloed is. Soms is er een calamiteit (de woningcorporatie stuurt aan op een uithuiszetting), soms biedt een familielid voortvarend ondersteuning, soms krijgt de bewoner een ziekte. En dan hebben we het nog niet over de veranderende context van het wijkteam zelf: nieuwe wet- en regelgeving of maatschappelijke partners die wel of niet meewerken.

  4. Gestructureerde voor- en nametingen ontbreken veelal. Veel wijkteams zijn – logischerwijs – nog druk met andere zaken. Standaardmeetinstrumenten ontbreken. En bovendien: waar moet je beginnen met meten bij zo’n waaier aan individuele effecten?

Klassieke evaluatie-opzet487
klik op de afbeelding voor de vergroting

Het is duidelijk: het idee van een klassieke evaluatie kunnen we maar beter loslaten, waar het wijkteams betreft. Maar wat moet je dan met die evaluatieve vragen? Nou, heel veel, als je het klassieke beeld durft los te laten. En als je accepteert dat harde antwoorden niet voorhanden zijn. Als die er al waren, dan zijn ze maar heel kort geldig. De wijkteams die wij mochten evalueren, bestaan al lang niet meer in hun oorspronkelijke vorm. Ze zijn uitgerold, opgeschaald, doorontwikkeld. Wijkteams veranderen waar je bij staat.

Zo kan het evaluatieve accent verschuiven van verantwoording naar leren en ontwikkelen. Je wijkteamleden actief betrekken bij evaluaties, misschien wel samen met de bewoner. Met aandacht voor het leren. Daar is veel behoefte aan, in deze turbulente, onzekere tijden. En tegelijkertijd wel slim evaluatieve informatie ophalen voor beleid en politiek bestuur, voor de verantwoordingsvraag.

Het vraagt om goed en creatief kijken naar welke informatie je op welk niveau haalt. Het echte werk vindt natuurlijk plaats op casusniveau. Daar kun je goed scherp stellen op gerealiseerde effecten. Maar door breedte van te verwachten effecten en de dagelijkse drukte zijn echt goede kwantitatieve metingen bijna niet uit te voeren. Ook een representatieve steekproef trekken gaat niet bij zo’n gevarieerde doelgroep en interventie. Bewonerstevredenheid is dan wel weer goed te meten. Dat zegt echter meer over het proces, dan het effect. Het gaat om slim combineren van kwantitatieve informatie met gestructureerd kwalitatief onderzoek

Op teamniveau zijn heel goed allerlei outputcijfers bij te houden. Hoeveel casussen (per wijkteamlid), hoeveel indicaties, hoeveel huisbezoeken, hoeveel uur per casus. Dat zegt veel over de ‘operatie’. Verstandig ‘benchmarken’ ligt voor de hand.
Op dit wijk-teamniveau zijn natuurlijk ook veel wijkcijfers te vinden. Gemeentelijke monitoren en het CBS verzamelen ze. Lastig is wel dat die tamelijk achterlopen bij de realiteit en dat in die cijfers duizend-en-één dingen samenkomen: een grote herstructurering in de wijk, economische voor- en tegenspoed, rijksbeleid, en daar tussendoor een wijkteam. Attributie is het grote probleem: wat exact komt door het wijkteam, wat niet? Slimme statistici kunnen er misschien chocolade van maken. Maar dan nog is het oppassen met causaliteit.

Op gemeentelijk niveau zijn de cijfers van zorg- en welzijnsconsumptie natuurlijk interessant. Welke tendens laten ze zien? Maar ook hier zal de causale relatie met de wijkteams niet makkelijk te leggen zijn. Als de consumptie daalt, is dat dan omdat het wijkteam meer ondersteuning in de nulde lijn organiseert? Of omdat de economie aantrekt? Of als het stijgt, is dat dan omdat het wijkteam niet goed functioneert, of omdat ze investeren in een preventieve aanpak? De essentie van de werking van een aanpak ligt toch bij de individuele cliënt en zijn ‘arrangement’. Daar zien we of een aanpak leidt tot de gewenste effect.

Het moge duidelijk zijn: ‘heeft het wijkteam effect?’ is een te simpele evaluatievraag. Evaluatievragen stellen vanuit de klassieke opzet leidt in het slechtste geval tot teleurstelling en frustratie bij de vragensteller, het onderzoeksobject zelf en de onderzoeker. Maar samen puzzelen, beginnen bij de basis, de cliënt, en kijken wat wel mogelijk, vooral in de sfeer van leren ontwikkelen; dat leidt tot waardevolle inzichten.

De praktijkstudie naar de werkzame bestanddelen in de wijkteams, wordt uitgevoerd door ondergetekenden onder het project Integrale Aanpak in opdracht van Platform31 en gaat eind september van start met verschillende gemeenten.

logo1-integrale-aanpak


Meedoen of meer informatie?