Contact

Anne-Marie Rijssenbeek

Anne-Marie Rijssenbeek

Senior projectleider

06 57 94 37 65

'Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!'

Interview, 15 september 2016

‘Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!’ Dat is de ondubbelzinnige centrale boodschap van de vierde rapportage van de Transitiecommissie Sociaal Domein (TSD). Twee jaar lang heeft deze driekoppige commissie de voortgang van de drie transities binnen het sociale domein (Wmo, Participatiewet, Jeugdwet) gemonitord. Het sociaal domein is nog geen eenheid met één integrale aanpak, zo blijkt uit het werk van de commissie. Met name ‘werk en inkomen’ is lokaal nog onvoldoende onderdeel van de integrale aanpak.

In september 2016 zit de taak van de commissie er formeel op. Platform31 vraagt de drie commissieleden om terug en vooruit te kijken. Doekle Terpstra is lid van de TSD. Binnen de commissie ligt zijn specialisatie bij het arbeidsmarktdossier. Daarnaast zat de totstandkoming van de code verantwoordelijk marktgedrag en de toekomstvisie in zijn portefeuille.

Daar zat u dan in 2014, als kersverse commissie met een groot en complex dossier. Hoe bent u met elkaar aan het werk gegaan?
We hebben vanaf het begin af aan gezegd dat we NIET met een bestraffende vinger zouden beoordelen en veroordelen. We weten namelijk ook wel dat wat er nu gebeurt jaren in beslag zal nemen. In die jaren moeten we heel veel oefenen en heel veel van elkaar leren. ‘De praktijk’, zo namen wij ons voor, ‘is leidend. En van wet- en regelgeving houden we een zekere distantie’. Wij zijn in de commissie van verschillende politieke origine, maar we hebben direct afgesproken om het werk niet politiek in te vullen. We zijn geen bovenmeester met een opgeheven vinger. We kijken op een scherpe, maar liefhebbende manier naar wat er allemaal gebeurt, zodat we de betrokken partijen kunnen helpen om tot maximale resultaten te komen.

En hoe staat er nu mee, zo tegen het einde van de commissietermijn?
Aan de transitie lag een ideologie ten grondslag: zorg, welzijn, werk moet dichter bij de lokale overheid en in samenwerking met de burger geregeld worden. Maar er was ook een financiële doelstelling. Te veel mensen vinden dat die financiële doelstelling nu is behaald en dat daarmee ook de transitie ‘af’ is. Dat is nog niet het geval. De transitie mag dan wel financieel geslaagd zijn, de transformatie moet nog beginnen. Er wordt nog lang niet écht geredeneerd vanuit één gezin, één plan.

“Hoezeer de decentralisaties ook uitnodigen tot open samenwerking, in werkelijkheid blijven veel professionals functioneren in de wereld van hun eigen mogelijkheden. […] De decentralisaties hebben gemeenten echter in een positie gebracht dat zij impasses en stagnaties kunnen doorbreken. Ze hebben doorzettingsmacht en steeds meer gemeenten maken daar gebruik van.”
derde rapportage TSD

Door de komende verkiezingen en bepaalde gevoelige ontwikkelingen zoals rond de verzorgingshuizen worden politieke partijen wat nerveus. De reflex is om op de oude, bestuurlijke manier in te grijpen. Maar dat zou een verlies zijn: we zitten nu juist in een verandering, het is van groot belang dat er een nieuwe bestuurlijke visie komt die deze verandering laat doorlopen en de regio versterkt. De mensen in het veld, door wie wij ons hebben laten informeren, waarschuwen ervoor dat het niet af is. Zij pleiten ervoor om deze ingezette beweging te continueren.

De commissie zegt zeer ondubbelzinnig in haar rapportages: er is één sociaal domein, handel daar ook naar.
Ja, het is nog zeker geen geheel. Met name het been van de Participatiewet moet nog worden bijgetrokken. We willen één sociaal domein, maar op departementaal niveau is er eerder sprake van steeds meer separatie. De Tweede Kamer doet ook niets om activiteiten in het domein te integreren. In een deal van Staatssecretaris Van Rijn met de vakbeweging staan afspraken die contrair zijn aan het uitgestippelde beleid. Het ontstaan van die afspraken is logisch: je moet politiek reageren op ‘Red de zorg’ en dat kan niet zonder concessies. Zo ontstaat bijvoorbeeld het voorstel om een Wmo-kamer in te richten. Ik begrijp het wel: het is pragmatisch. Maar het geeft een totaal verkeerd signaal af aan de mensen in de praktijk. Ten eerste is zo’n Wmo-kamer een centraliserende beweging die we nu juist niet meer willen en ten tweede zou het, als je daar dan toch voor kiest, natuurlijk een kamer sociaal domein moeten zijn.

Er is een nieuwe relatie aan het ontstaan tussen overheid en burgers, zo constateert de commissie in de vierde rapportage. Wat verandert er?
Het is een heel spannende ontwikkeling! Door de nieuwe rolverdeling komt er veel vernieuwende energie vrij. Aan bestuurders zou ik willen zeggen: ‘let it happen!’. Natuurlijk blijf je wel verantwoordelijk voor de kaders, maar laat het verder vooral gebeuren. De representatieve democratie boet aan betekenis in, er moeten nieuwe vormen van besturen en van participeren komen. De transities zijn de ideale omgeving om hiermee te experimenteren.

In uw rapportage spreekt u de gemeenteraad aan op zijn verantwoordelijkheid om ruimte te creëren voor de teams die de integrale aanpak verwezenlijken.
Een wethouder moet het aandurven om professionals vertrouwen te geven en te varen op wat zij zien. Let wel, ik pleit niet voor naïef laisser-faire bij bestuurders. Als je professionals de ruimte geeft voor meer maatwerk en minder protocollen, dan vraagt dat juist extra reflectie en intervisie. Maar de wethouder moet de teams wel laten gaan. Je kunt alles opschrijven in wet- en regelgeving, maar in de praktijk van alle dag werkt dat helemaal niet. Kwetsbare mensen bijvoorbeeld, hebben net een beetje andere bejegening nodig. Dat kun je niet vangen in protocollen. Daar is maatwerk voor nodig.

“Binnen de Participatiewet is ruimte voor interpretatie, vooral ten aanzien van de bijzondere bijstand en de re-integratietrajecten. Dit kan worden vastgesteld in de lokale regels. Maar deze ruimte wordt niet altijd gezien of genomen, of juist ‘dichtgetimmerd’ uit angst voor precedentwerking of de accountant.”
derde rapportage TSD

Maar zijn de huidige raadsleden en lokale bestuurders wel goed toegerust voor die taak?
Tja, als je ze langs een professionele meetlat legt, kun je tekorten constateren. Maar het is ook heel helder: er is wat er is. Democratie is geen professioneel bedrijf dat enkel een winst- en verliesrekening moet opmaken aan het einde van het jaar. Het bestaat uit burgers die ervoor kiezen om zich in te zetten. Dat is onze lokale democratie. Of de huidige representatieve democratie de nieuwe verhoudingen en het nieuwe burgerschap aankunnen, is een spannende vraag. Ik weet het niet zo zeker. Schaal speelt daarin ook een rol: misschien lukt deze verandering beter als we opschalen naar provinciaal niveau.

In september 2016 eindigt de commissie in de huidige vorm. Uw vijfde rapportage zal daarom tevens de eindrapportage zijn. Hoe borgt u opvolging van uw aanbevelingen?
We bemerken enige onrust over wat de nieuwe coalitie straks gaat doen. Als die inderdaad een houding aanneemt van ‘zo, dat is gepiept’, komt de transformatie niet af en stagneren de in gang gezette bewegingen. Dat moet voorkomen worden. Mensen uit het veld zeggen ‘hef alsjeblieft de transitiecommissie niet op’. We hebben een buffer nodig, een autoriteit die de vinger aan de pols houdt en die kan helpen de verandering te verduurzamen. Zo kijken wij als vertrekkende commissie er ook tegen aan: er moet een autoriteit of een ander soort partij zijn die de rijksoverheid scherp houdt. Wij bevelen aan het kabinet aan om een dergelijke buffer in te stellen.

Een minister voor het sociale domein, zonder portefeuille…?
Nee! Dan institutionaliseer je de boel weer zo. Die partij waar we aan denken moet in staat zijn om politiek-overstijgende adviezen te geven, óók als ze het kabinet niet welgevallig zijn. We denken zelfs dat de transformatie er mee gebaat zou zijn als er een soort ‘Deltawet’ kwam voor het sociale domein. Het sociale domein behelst belangen die ons allemaal aangaan, ongeacht politieke kleur of gezindte. Een kaderwet of iets dergelijks kan deze beweging, deze verandering beschermen tegen de draaiende winden van de politiek. Dat geeft komende kabinetten houvast en richting, zodat ze blijven denken vanuit integraliteit.

Dat gebeurt nog te weinig?
Inderdaad. Je ziet het bijvoorbeeld ook bij het vraagstuk rond schulden, ieder departement gaat daar op zijn eigen manier mee om.
De commissie adviseert de rijksoverheid om ontkokerd en met een open blik tot een aanpak van de schuldenproblematiek te komen.
Wij hebben geconstateerd dat een belangrijk deel van de sociale problematiek zijn oorsprong vindt in schulden, en in een gebrek aan participatie. Schulden vormen echt de bottle neck, die moet je direct aanpakken anders worden de problemen van het huishouden alleen maar erger. Verschillende instanties stapelen echter los van elkaar sanctie op sanctie en brengen een neerwaartse spiraal op gang. Door gebrek aan afstemming bij private partijen en bij de centrale overheid ontstaan er hoge extra maatschappelijke kosten. De huidige aanpak is contraproductief. Er is veel bij te winnen, financieel en maatschappelijk, om tot een andere, ontkokerde aanpak te komen. Gemeente Alphen aan de Rijn experimenteert bijvoorbeeld met een aanpak waarbij de gemeente de schuld overneemt, en daarmee de schuldenaar op nul zet. Als je de kosten afzet tegen de baten, blijkt dat die aanpak wel navolging verdient.

Stel dat de commissie over een jaar nog eens de balans op maakt. Wat zou er idealiter in die rapportage moeten staan?
Ik zou graag over een jaar willen rapporteren dat de burger het referentiepunt is voor alles wat overheden doen. En dat de veranderingen die we in gang hebben gezet nog volop in beweging zijn. Oftewel: de transformatie wordt werkelijk zichtbaar. Vragen die dan nog openstaan zijn: hoe gaan we met elkaar de veranderende relatie tussen burger en overheid vormgeven? Hoe combineren we daarbij waarborg met maatwerk? Dat zijn dan thema’s voor die nieuwe autoriteit, die er als het aan mij zou liggen werkelijk komt.

Doekle Terpstra
Doekle Terpstra