Aandacht voor aardgasvrij

Aardgasvrije wijken is een thema dat de afgelopen jaren in rap tempo meer aandacht heeft gekregen. De rode draad in de aandacht is toenemende urgente en het uitkristalliseren van randvoorwaarden. Lokale overheden, netbeheerders, marktpartijen, woningcorporaties en particuliere huiseigenaren hebben behoefte aan randvoorwaarden om de transitie in te zetten. Dit vraagt om aandacht op rijksniveau. Aan de hand van een reeks beleidsdocumenten is het speelveld steeds duidelijker en worden obstakels opgeruimd.

In stappen op de agenda

Het Energieakkoord voor duurzame groei (september 2013) is een eerste sprong voorwaarts in het samenbrengen van partijen om verduurzaming te realiseren. Onder leiding van de Sociaal Economische Raad (SER) committeren veertig organisaties zich aan het verduurzamen van de economie. De economische insteek laat het warmtevraagstuk op wijkniveau nog enigszins onderbelicht. De gasinfrastructuur en de benodigde aanpassingen daarin staan wel vernoemd.

Het Klimaatakkoord van Parijs (december 2015) is een aanjager in de aandacht voor de energietransitie. Nederland committeert zich aan de ambitie om de aarde met niet meer dan 2 graden Celsius te laten opwarmen. Nederland klimaatneutraal betekent automatisch ook het stoppen met het gebruik van gas als warmtebron voor onze gebouwen. De urgentie voor aardgasvrije wijken staat met dit internationale verdrag vast.

Het Energierapport (januari 2016) is de eerste stap in een serie beleidsdocumenten die de benodigde transitie inzet. Het rapport geeft een integrale visie op de toekomstige energievoorziening van Nederland. Het rapport schetst de uitgangspunten van het energiebeleid en vermeld de noodzaak van het afbouwen van aardgas als verwarmingsbron. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt op lokaal en regionaal niveau met het Rijk als ondersteuning via beleids- en marktregels. Over het algemeen is het rapport een eerste aanzet die in opvolgende documenten nader worden uitgewerkt.

In de Energiedialoog (november 2016) is aan een breed aantal partijen en burgers gevraagd om mee te praten. In de dialoog geven provincies, gemeenten, netbeheerders, marktpartijen en belangenorganisatie ook aandacht aan aardgasvrije wijken. Er blijkt met name behoefte te zijn naar urgentie, juridisch kaders en het aantrekkelijk maken van de transitie. Kort door de bocht lijkt het erop dat meer zekerheden nodig zijn om een grote transitie in te zetten.

De uitkomsten van de Energiedialoog zijn de aanzet voor de Energieagenda (december 2016). Het doel is een helder en ambitieus perspectief schetsen voor de energietransitie. Voor aardgasvrije wijken wil de Energieagenda de kaders scheppen om de transitie naar alternatieve warmtebronnen te maken. De agenda verwoord het voornemen om de aansluitplicht van huishoudens op gas om te zetten in een warmterecht en benadrukt nogmaals de rol van gemeenten en netbeheerders als hoofdrolspelers in de transitie.

In 2016 zijn de versnellingstafels gestart. Aan de tafels werken overheden en marktpartijen aan zes thema’s waarin een leertraject wordt doorlopen. De Warmtetafel (thema decentrale individuele duurzame warmte) heeft een Kader voor afweginsprocessen gepubliceerd gericht op de verduurzaming van de warmte- en koudevoorzieningen in de gebouwde omgeving. Verder is een korte terugblik beschikbaar.

Parallel aan het rijksbeleid ontstaan initiatieven die willen pionieren in de transitie naar aardgasvrije wijken. Betrokken partijen verbinden zich aan elkaar om voorop te lopen op grotendeels onbekend terrein. De Green Deal Aardgasvrije Wijken (maart 2017) is ondertekend door 31 gemeenten, het Rijk, de VNG, betrokken netbeheerders, het Interprovinciaal Overleg en Netbeheer Nederland. Elke gemeente doet samen met de betrokken partners onderzoek naar de transitiemogelijkheden voor een geselecteerde wijk.

Indirect gerelateerd heeft het kabinet het initiatief genomen om met de bouwsector de bredere bouwopgave het hoofd te bieden. Hieruit is de Bouwagenda ontstaan. Op het thema duurzaamheid geeft de bouwagenda aan: ‘Duurzaamheid moet niet alleen uitgaan van energieprestatie en/of aardgasvrij, maar ook van levensloopbestendigheid, circulariteit en ‘natuur inclusief’ voor wooncomfort en maatschappelijk rendement.’ De bouwsector wil opschalen en innoveren om deze opgave het hoofd te bieden.

Het Regeerakkoord

Het Regeerakkoord (oktober 2017) van het kabinet Rutte III bouwt verder op de eerder ingezette lijn en zorgt voor een verdere verduidelijking. De ambitie is om in 2030 49% minder CO2 uit te stoten. Deze emissiereductiedoelstelling van 49% staat gelijk aan 56 megaton (Mton) CO2. Het regeerakkoord geeft een indicatieve doelstelling per maatregel om het totaal te behalen. Door de isolatie van woningen, warmtenetten en warmtepompen is een reductie van 2 Mton voorzien. Dit in combinatie met de wens om de afhankelijkheid van Russisch en Gronings gas te verminderen is een vergroting van de urgentie van aardgasvrije wijken.

Om dit doel te realiseren komt er een nationaal klimaat- en energieakkoord waarvan de hoofdlijnen worden verankerd in een Klimaatwet. Het akkoord moet zekerheid geven voor partijen om een koers te kiezen en te investeren. Te verwachten valt dat de transitie in de warmtevoorziening van woonhuizen en wijken hierin een plek krijgt.

De maatregelen binnen de gebouwde omgeving blijven een combinatie van de reductie van de warmtevraag, de groei van alternatieve warmtebronnen en een toename in het gebruik van duurzame energie. Het voornemen is om tegen het einde van de kabinetsperiode 30.000 tot 50.000 bestaande woningen per jaar gasvrij te kunnen maken. Dit is een eerste stap op weg naar de 200.000 woningen per jaar die nodig zijn om in 2050 de hele voorraad af te koppelen van het gas.
De nieuwe regering gaat uitwerken welke gebouw-gebonden financiering voor besparing gaat worden ingezet. Het is dus nog onbekend hoe bijvoorbeeld particuliere huiseigenaren gestimuleerd gaan worden om maatregelen te nemen. De overheid ziet wel een rol voor pensioenfondsen of banken in het verstrekken van leningen.

Tot slot is bekrachtigd dat het aansluitingsrecht op gas verandert in een warmterecht. Het netbedrijf en de gemeente bepalen de toekomstige voorziening in energie en warmte. Deze nieuwe vrijheid bevestigd en vergroot de verantwoordelijkheid van de gemeente en netbeheerders in de transitie naar aardgasvrije wijken.