Toekomst van de huurtoeslag

Artikel 22 van de Grondwet verklaart dat de volkshuisvesting een zorg voor de rijksoverheid is. Ook voor huishoudens met een laag inkomen dient fatsoenlijk wonen betaalbaar te zijn.
De huidige huurtoeslagregeling lijdt onder grote uitvoeringsproblemen. Gegadigden worden gevraagd om hun inkomen in het eerstkomende jaar op te geven. Dat valt per definitie niet te controleren. De ervaring leert dat vele huishoudens te veel huurtoeslag ontvangen. Dit teveel wordt later teruggevorderd, waarbij grote incassoproblemen optreden.

Een ander tekort van de huidige huurtoeslagregeling is dat er geen enkele stabiele normering wordt gehanteerd van wat het Rijk als betaalbaar beschouwt. De kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrens markeren trajecten waarbij de relatie tussen huurverhoging en huurtoeslag verschillend is. Dat leidt in toenemende mate tot strategisch gedrag van verhuurders bij het huuraanpassingsbeleid. Ook huurders vertonen deels strategisch gedrag, doordat zij kiezen voor een hoge huurtoeslag, gekoppeld aan een overconsumptie van woondiensten en toenemende betaalbaarheidsproblemen. Met regionale verschillen in het huurniveau houdt de huurtoeslagregeling onvoldoende rekening. Door de genoemde uitvoeringsproblemen wordt de exclusieve relatie tussen wonen en huurtoeslag onvoldoende veiliggesteld.

Een perspectief voor de toekomst kan er als volgt uitzien:

  1. De huurmatigingsprocedure van vóór 2006 wordt opnieuw ingevoerd: de woningcorporaties ontvangen de huurtoeslag en de huurders betalen aan de woningcorporatie de netto huur (huur minus huurtoeslag). Dit versterkt de relatie tussen huurtoeslag en wonen.
  2. De hoogte van de huurtoeslag blijft afhankelijk van het huishoudeninkomen. Voor inkomens beneden bijstandsniveau et cetera is er een inkomensprobleem, niet noodzakelijkerwijze een huurhoogteprobleem.
  3. De hoogte van de huurtoeslag is voorts afhankelijk van het gemiddelde niveau van de gereguleerde huurwoningen in de regio. Als bewoners een goedkopere woning vinden, zijn hun netto woonlasten lager; als zij een duurdere woning accepteren, zijn hun netto woonlasten hoger. Huishoudens die huurtoeslag ontvangen, krijgen er een belang bij om hun woonconsumptie enigermate in te dammen.
  4. Er is een fundamentele herbezinning nodig op de passendheidstoets. Deze toets laat zien dat een flink deel van de woningen met gereguleerde huren onbetaalbaar is voor de EC-doelgroep van beleid. Dit wijst op een weeffout in de relatie tussen huurtoeslag en sociale huursector.
  5. Nader moet worden afgewogen of de huurtoeslag blijft gelden voor gereguleerde huurwoningen van particuliere verhuurders. De huurmatigingsprocedure (zie punt 1) kan niet zonder meer voor particuliere verhuurders gelden.
  6. Als enerzijds de beleidslijn is om huren geleidelijk op te trekken naar een marktgeoriënteerd niveau (vergelijk de Duitse Mietspiegel), is dat alleen verantwoord als de huurtoeslag een solide, robuust instrument is waarop vragers en aanbieders van woondiensten kunnen vertrouwen (zie SER-CSED, 2010).

Lees het rapport Overstag met de huurtoeslag