Is de Nederlandse burger nu helemaal gek geworden?

Steenbergen, Rotterdam en Geldermalsen, ze hebben gemeen dat inspraak- of informatieavonden over de komst van asielzoekers nogal uit de hand zijn gelopen. Hoewel er van verschillende zijden meteen op gewezen werd dat er gelukkig ‘vreemden’ bij betrokken waren – lees rechtse rakkers die niet uit het dorp of de wijk komen – heerst er bij bestuurders, hogere ambtenaren en journalisten die ik spreek een zekere teleurstelling over de Nederlandse burger. Die Nederlandse burger (b)lijkt xenofober dan gedacht en ook nog eens minder gezagsgetrouw. Typerend is de uitspraak: “je moet ze eerst maar even laten uitrazen”.

Misschien is het toch goed om even iets dieper te kijken naar wat ook de redelijke burger als problematisch zou ervaren. De NOS meldde op 21 oktober 2015: ‘In Steenbergen zijn zo’n 600 mensen afgekomen op een informatiebijeenkomst over de opvang van vluchtelingen in de gemeente. De bijeenkomst verliep rumoerig. Nog voordat burgemeester Vos het woord nam, werd hij uitgejouwd. “Laten we volwassen praten”, zei de burgemeester daarop. “Vol is vol”, klonk het in de zaal als antwoord.

De disjunctie tussen ‘elite’ en bevolking is zichtbaar in twee cruciale woorden in het bovenstaande citaat: ‘informatiebijeenkomst’ en ‘praten’. Wij denken dat ‘informatie geven’ volstaat als ‘praten met’. Het is een neiging die ook na incidenten zichtbaar is: het bestuur organiseert een informatieavond, maar welke nieuwe informatie heeft zij haar burgers te bieden? In de afwezigheid van nieuwe informatie loopt zo’n informatieavond snel uit de hand. In simulaties die wij organiseren met colleges en raden is het altijd illustratief om te merken dat zelfs in een simulatie raadsleden die in de positie van bevolking worden geplaatst binnen minuten opstandig worden en hun burgemeester gaan interrumperen.

Eenzelfde mechanisme is zichtbaar als in Rotterdam burgemeester Aboutaleb op een ‘inspraakavond’ de komst van een AZC toe wil lichten. RTL bericht over het schelden en zelfs stenen gooien naar de politie het volgende op 17 oktober 2015: ‘Aboutaleb was niet verrast door de kritiek en gaat ervan uit dat de beledigingen een ‘moment van verstandsverbijstering waren’. Hij zegt. “Ik begrijp het wel, maar heb er geen begrip voor.” Volgens de burgemeester moet de overheid soms dingen doen die niet iedereen leuk vindt. Hij doelt daarmee op de zeshonderd vluchtelingen die de gemeente in 2016 gaat vestigen in het asielzoekerscentrum Rotterdam-Beverwaard.

Volgens ons eigen onderzoek begrijpt de narrige Nederlandse burger heel goed dat het openbaar bestuur maatregelen moet nemen vanuit het algemeen belang die soms erg vervelend zijn voor hem/haarzelf. Dat maakt het echter niet leuker, zeker niet als een mededeling over zo’n besluit wordt verpakt in de term ‘inspraakavond’. Een fysieke opstelling zoals die avond in Rotterdam helpt dan zeker niet: een burgemeester en een politieman op podium nadrukkelijk afgeschermd van de zaal, roept afstand en daarmee extra assertiviteit op.

In Geldermalsen loopt het op 16 december pas echt uit de hand als (toch vooral eigen inwoners) door hekken heen breken en het gemeentehuis bestormen. In deze casus zien we ook dat de inspraak van tegenstanders als symbolisch kan worden ervaren. Zo rapporteert RTL op 16 december over tegenstander Henri Bron: ‘Hij gaat vanavond tijdens de vergadering spreken in de hoop de plannen te dwarsbomen, net als 50 tegenstanders. Hij krijgt drie minuten spreektijd. Echt serieus voelt hij zich niet genomen. Bron: “We hebben drie werkdagen de tijd gehad en we mogen nu drie minuten inspreken. Het is allemaal heel moeizaam dit.”’

Het principiële punt van de tegenstanders in Geldermalsen is overigens de grootte van het AZC. Tegenstander Henri Bron: “1500 asielzoekers is een wijk op zich”. Jan de Geus, fractievoorzitter van de plaatselijke D66, is het daar niet mee eens: “De locatie moet dusdanig groot zijn dat we een hoop asielzoekers kunnen opvangen. Bij grote centra verzorgt het COA namelijk zelf belangrijke zaken als beveiliging, medische verzorging en scholing.” Binnen bestuurlijk Nederland is echter de insteek van tegenstander Bron gemeengoed: kleine opvanglocaties zijn beter voor integratie en acceptatie dus hoe kan het dat het logistieke proces van het COA leidend is?

Meest interessant aan de casus Geldermalsen is wellicht een enquête onder 226 inwoners die na twee dagen onder de bevolking is gehouden door dagblad De Gelderlander. Volgens driekwart van de respondenten hebben burgemeester en wethouders van Geldermalsen de rellen over zichzelf afgeroepen door niet goed naar de inwoners te luisteren. Ze voelen zich ‘bedonderd’ en zijn ‘diep teleurgesteld’ in het gemeentebestuur. Vooral de snelheid waarmee het besluit over de komst van een asielzoekerscentrum voor 1.500 vluchtelingen genomen moest worden, zit de inwoners dwars. Ze hoorden vorige week vrijdag van het plan om een asielzoekerscentrum in het dorp te vestigen en de definitieve beslissing had afgelopen woensdag al moeten vallen. En toch: ‘Ondanks de ontevredenheid over de aanpak, vindt ruim de helft van de ondervraagden dat burgemeester Miranda de Vries (PvdA) kan aanblijven. 33 procent vindt dat ze moet aftreden.’

Tot slot een casus waar het wel goed ging. In de gemeente Wierden werd op 18 november een ‘werkelijke’ inspraakavond gehouden. Hier was ook aan een goede vorm gedacht: de burgemeester gaf iedereen die binnenkwam persoonlijk een hand, er was geen podium maar een setting met tafeltjes met aan elke tafel ook een gemeenteraadslid. De opbrengst van de avond en de enquête was wellicht verrassend: een groot AZC met tenminste 600 bewoners zoals het COA eiste was niet gewenst door een grote meerderheid maar tegen kleinere, gespreide opvang en versnelde huisvesting van statushouders bestond bij de meerderheid van de aanwezigen en respondenten geen bezwaar.

Misschien is het daarom niet de gemiddelde Nederlander die gek geworden is, maar is de kern van het probleem dat het bestuur de kunst van het democratisch besturen aan het verliezen is.


Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid, Radboud Universiteit