Het verdriet van Brussel

Onlangs was ik met een VNG-delegatie in Brussel. Ik werd mij daar bewust van het grote verdriet van Brussel. Ten eerste logeerden we vlak bij metrostation Maalbeek dat op 22 maart getroffen werd door een aanslag. Het hart van de EU getroffen door inwoners van diezelfde EU die de zo hard bevochten waarden van vrijheid en democratie niet zo ervaren.
Ten tweede voelde ik de onwerkelijkheid van het Europese kwartier. De oorspronkelijke Jugendstil gebouwen van de Leopoldwijk zijn gesloopt en maakten plaats voor de kantoren van de Europese Commissie en het Europees Parlement. De bewoners verhuisden naar de buitendorpen van Brussel.

Ik probeerde me voor te stellen hoe de wijk er 100 jaar geleden uit zag. Het voelde of het hart uit de stad was verdwenen en dat bracht mij op de gedachte dat de identiteit van Europa en het hart van de Europese eenwording ook meer op de achtergrond is geraakt. De uitslag van het referendum op 6 april maakt dat nog eens duidelijk. Veel mensen hebben niet tegen het associatieverdrag met de Oekraïne gestemd maar tegen ‘Brussel’.

Het voorstadje Molenbeek vlakbij Brussel laat dat ook zien. De bewoners zijn grotendeels afkomstig uit Marokko en de opkomst bij verkiezingen is laag. Wie representeert het stadsbestuur daar precies? Maar ook: voor wiens belangen komen de Europarlementariërs op?

Wij als bestuurders hebben veel in Brussel te brengen. Als gemeentebestuur leef je dicht op je inwoners, hoor je hun zorgen over bijvoorbeeld asielzoekers, werk, huisvesting en veiligheid. En juist deze signalen zijn hard nodig in Brussel zodat het Europese beleid duidelijker meerwaarde heeft voor de inwoners van bijvoorbeeld Ede. Zo kunnen we het verdriet van Brussel zien als een fase op weg naar een gezonde zelfreflectie waar we als openbaar bestuur sterker uitkomen.

verdriet-van-brussel