Bevolkingsprognoses en investeren in wonen, welzijn en zorg

Nederland heeft steeds meer te maken met een vergrijzende populatie en daarmee gepaard gaande stijgende zorgkosten. Inmiddels is het rijksbeleid om wonen en zorg te scheiden. Gevolg is de sluiting van (delen van) verzorging- en verpleegtehuizen. Verder is besloten tot decentralisatie van zorg naar verzekeraars en gemeenten. Daarbij moet meer worden gedaan met minder geld.

We worden niet alleen ouder: we krijgen ook steeds meer ouderen met hogere inkomens en meer vermogen. Nu hebben instellingsbewoners vaak nog een laag inkomen, maar de komende ouderencohorten hebben voor een deel betere pensioenen. Meer vermogende ouderen kunnen meer betalen. Ouderen met een lage sociaaleconomische status (SES) en niet-westerse allochtonen van de eerste generatie hebben een minder hoge levensverwachting. En binnen dit kortere leven hebben ze ook nog eens meer jaren met een slechte/matige gezondheid. Bovenstaande heeft allemaal gevolgen voor het wonen, welzijn en de zorg van de ouderen in de toekomst.

De ontwikkelingen leiden ook tot meer vragen: om hoeveel ouderen gaat het straks eigenlijk? Blijven ouderen steeds meer langer gezond? Hoe ontwikkelt zich dan de zorgvraag? Hoe willen de ouderen wonen, zijn ze geneigd te verhuizen en doen ze dat ook daadwerkelijk? De woon- en verhuiswensen blijken immers sterk af te wijken van feitelijke verhuizingen. Welke voorzieningen zijn in de buurt noodzakelijk? Of worden ook ouderen mobieler en kunnen ze van verder afgelegen voorzieningen gebruik maken? Bij al deze vragen speelt het stijgende inkomen en vermogen een rol.

Binnen de verschillende geografische niveaus, zoals regio’s, gemeenten, wijken en buurten, bestaan grote verschillen in leeftijdsopbouw, herkomst en SES. Deze verschillen leiden tot verschillende woon- en zorgbehoeften in de toekomst. Dit vraagt een bevolkingsprognose op een laag schaalniveau, bijvoorbeeld op wijk- en buurtniveau of voor 4 positie postcode gebieden. In de CBS prognoses tot 2060 worden deze verschillen uitgemiddeld. Interessant zou zijn te weten in welke mate deze verschillen in de PBL prognose op COROP- en grotere steden niveau worden meegenomen. Vraag is dan: hoe zijn inkomens ook op lager schaalniveau van invloed op geboorten, sterftegevallen, migraties en het bouwprogramma?
Omgekeerd leiden bevolkingsontwikkelingen in de praktijk ook tot mogelijke noodzakelijke bijstellingen van de bevolkingsprognoses. Op landelijk niveau zien we nu al dat mensen langer blijven leven, maar is dat ook zo op lager schaalniveau? Bij de PBL-prognose is dit op regionaal niveau eenvoudig te constateren – de afrondingen op honderdtallen voor de hogere leeftijden zijn daarbij wel lastig – maar op een nog lager schaalniveau vraagt dit eigenlijk een specifiekere doorvertaling. Zou je bij gebruik van de cohort-component-methode verschillende geboorte- en sterftecijfers afhankelijk van inkomens en herkomst moeten hanteren?

Omdat we voor onze investeringen in wonen, welzijn en zorg informatie nodig hebben, hebben wij zelf een vier positie postcode prognose vervaardigd, uitgaande van CBS- en PBL prognoses. Daarbij ontkomen we er niet aan om om te gaan met een bepaalde mate van onzekerheid, zowel bij de ontwikkeling als toepassing. Graag wisselen wij kennis uit met andere onderzoekers die met dezelfde vraagstukken bezig zijn. Wij denken dat voor investeringen in wonen, welzijn en zorg, en uiteraard ook voor andere sectoren, goede laagschalige bevolkingsprognoses essentieel zijn.

Auke Vlonk
Onderzoeker AimTrack, tevens bestuurslid Nederlandse Vereniging voor Demografie