WoOn 2015 over de staat van de woningmarkt


Veel positieve geluiden op de woningmarkt, maar ook een aantal zorgelijke ontwikkelingen. Dit is de algemene conclusie die valt te trekken in het WoOononderzoek 2015 (WoOn 2015) waarvan de resultaten op 7 april 2016 tijdens het WoOn-congres werden gepresenteerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Onderdeel van het programma was het lunchdebat van Platform31: bestuurders van woningcorporaties, gemeenten en de Nederlandse Vereniging van Makelaars gingen met elkaar in gesprek over de belangrijkste bevindingen van het onderzoek.

WoOn 2015


Toename dure scheefheid

De Rijksoverheid doet om de drie jaar onderzoek naar hoe mensen wonen en willen wonen. En kijkt daarbij onder meer naar de samenstelling van huishoudens, de woning, de woonlasten, woonwensen en woonomgeving. Een opvallende conclusie uit WoON 2015 is dat de goedkope scheefheid is afgenomen, maar dat de dure scheefheid is toegenomen. Deze ontwikkeling is zorgelijk voor de betaalbaarheid en beschikbaarheid voor de lage inkomens.

Met het passend toewijzen moeten corporaties in 2016 gaan voldoen aan de norm van 95 procent passend toewijzen. Een hele opgave dus. Maar volgens Robert Straver van Vestia is het vooral een kwestie van tijd. De normen zijn nu strenger en dat kan niet van de een op de andere dag gerealiseerd worden. Volgens Jop Fackeldey, wethouder Lelystad en voorzitter van de Fysieke Pijler van de G32, is het belangrijk dat gemeenten, corporaties en huurders op lokaal niveau goede afspraken maken om de dure scheefheid terug te dringen en te kunnen voldoen aan het passend toewijzen. “Middelen van de corporaties kunnen namelijk maar één keer worden uitgegeven. Moeten veel woningen worden afgetopt, dan is er minder ruimte om te investeren in bijvoorbeeld duurzaamheid en wonen en zorg. Dit heeft effect op de woningvoorraad en leefbaarheid.”

“Daarnaast”, geeft Harrie Windmüller, bestuurder van BrabantWonen aan, “moeten we ons wel beseffen, dat passend toewijzen maar een marginaal effect heeft op de betaalbaarheid.” Vooral voor inkomens onder het sociale minimum zal het effect op betaalbaarheid minimaal zijn. Dit blijk ook uit eerder onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) naar betaalbaarheid. Om voor deze groep de betaalbaarheid te verbeteren, moet ook naar de inkomenskant worden gekeken. In het licht van de gestegen woonlastenquote van huurders is hiervoor aandacht nodig.

Tweedeling huur en koop

Ook op het gebied van leefbaarheid zien we een zorgelijke trend in de resultaten van WoON 2015. Er ontstaat een steeds grotere tweedeling tussen de huursector en koopsector. Waar in de huursector vooral alleenstaanden (56 procent) en mensen met lage inkomens gehuisvest zijn, zien we in de koopsector veel meer gezinnen en mensen met midden- en hogere inkomens.

Volgens Karin van Dreven, directeur-bestuurder van Haag Wonen, hebben corporaties minder instrumenten waarmee ze kunnen sturen op differentiatie. De leefbaarheid kan hiermee in bepaalde wijken flink onder druk komen te staan. Daarbij doet zich wel de vraag voor of we kostte wat koste moeten blijven streven naar gelijkwaardigheid, of dat er ook een vorm van ‘rechtvaardige ongelijkheid’ kan bestaan, zoals het PBL benoemt in de publicatie ‘De verdeelde triomf’. Voorop staat dat alle partijen aan zet zijn om tweedeling te beperken, onder andere door weer volop aandacht te hebben voor stedelijke vernieuwing in brede zin.

Grote verhuiswens

Een andere opvallende conclusies uit WoON 2015 is dat de verhuiswens met 50 procent is toegenomen sinds 2012. Waar kunnen we deze stijging door verklaren? Zijn deze bewoners niet tevreden met hun huidige woonsituatie? Of zijn we altijd op zoek naar meer en beter? Uit WoON 2015 blijkt dat huishoudens over het algemeen zeer tevreden zijn met hun woning en woonomgeving. “De drang naar betere woningen in combinatie met het stuwmeer van koopwoningen die door de crisis zijn ontstaan, lijken logischere verklaringen. Al zijn mensen sinds de crisis wel voorzichtiger geworden met het kopen van een huis”, zo geeft Anke Bodewes van de NVM aan. “Uit de verhuiswensen blijkt bovendien dat vooral de vraag naar goedkopere koopwoningen onder de 180.000 euro is toegenomen.” Marije Eleveld, wethouder in Ede vult aan: “We moeten oppassen dat we geen eenzijdige wijken bouwen met goedkope koopwoningen. We kunnen de toekomstige vraag namelijk moeilijk voorspellen.” “Bovendien kan de leefbaarheid en diversiteit op den duur onder druk komen te staan. Overigens moeten we ons, als het gaat om vraag en aanbod op de woningmarkt, goed bewust zijn van de grote regionale verschillen”, zegt Peter Ruigrok van Rijswijk Wonen.

Opgave wonen en zorg in de particuliere voorraad

Steeds meer ouderen zijn eigenaar-bewoner. In combinatie met het langer zelfstandig thuis wonen ligt er een behoorlijke aanpassingsopgave in de particuliere voorraad. Dit vraagt van gemeenten aandacht voor en inzet op het informeren en stimuleren van particuliere eigenaren. Rinette Reynvaan, wethouder gemeente Dordrecht, geeft aan dat het allereerst een verantwoordelijkheid is voor bewoners zelf. “Wel probeert de gemeente actief inwoners te informeren en aan te zetten tot actie. Het blijkt in de praktijk nog wel heel lastig om dit voor elkaar te krijgen. Ook de markt en de ‘media’ kunnen een rol vervullen. Zo zien we bijvoorbeeld steeds meer reclames van trapliften. Dit kan helpen bij de bewustwording van ouderen. Prikkelende vraag is nog wel of het wenselijk is dat alle ouderen in hun eigen woning blijven wonen. Hoe efficiënt is het ruimtegebruik als veel alleenstaande ouderen in een eengezinswoning blijven wonen?

Het debat maakt duidelijk dat er veel positieve ontwikkelingen zijn op de woningmarkt, maar dat er zeker aandacht nodig is voor de hierboven geschetste negatieve trends en dilemma’s. Platform31 zet zich in haar programma in om samen met haar partners te werken aan deze opgaven.

Contact