Regionale verschillen in gebruik sociaal domeinvoorzieningen geduid

In de Overall rapportage sociaal domein 2015 constateerde het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) vorig jaar verrassend grote regionale verschillen in het gebruik van sociale domeinvoorzieningen. Dit zijn alle voorzieningen die gerelateerd zijn aan de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet, die sinds 1 januari 2015 zijn gedecentraliseerd naar gemeenten. Vooral in krimpgebieden tekent zich een aanzienlijke afwijking van het landelijk gemiddelde af. Platform31 onderzocht samen met provinciale kennisinstellingen wat het hoge voorzieningengebruik in krimpregio’s kan verklaren.

Ook na correctie voor demografische en sociaaleconomische verschillen scoren Zuid-Limburg, Noordoost Groningen, Noordoost Friesland en Oost-Drenthe hoog op veel sociaal domeinvoorzieningen. Op zoek naar verklaringen voerde Platform31 in nauwe samenwerking met de provinciale kennisinstellingen Fries Sociaal Planbureau, het Sociaal Planbureau Groningen, CMO STAMM en Neimed een exploratief onderzoek uit in Noordoost Friesland, Noordoost Groningen, Oost-Drenthe en Zuid-Limburg.

Eind 2016 is in elke regio een rondetafelgesprek gehouden met lokale beleidsmakers, vertegenwoordigers van uitvoeringsorganisaties en experts. In een open gesprek zijn ze uitgenodigd om te reflecteren op mogelijke verklaringen voor het geconstateerde hoge voorzieningengebruik in hun regio. Uit de gesprekken laten zich zes verklaringsrichtingen destilleren. Het hoge voorzieningengebruik wordt toegeschreven aan contextuele factoren – zowel culturele (historische), economische als fysiek-ruimtelijke – aan institutionele factoren (gedrag betrokken instituties), aan kenmerken van de bevolking en aan de beperkingen van het gebruikte statistische materiaal.

Een combinatie van factoren

In de gesprekken werd benadrukt dat bij een substantiële groep bewoners in deze regio’s sprake is van meervoudige deprivatie: hun arbeidsmarktkansen zijn gering, ze missen perspectief op het verbeteren van hun maatschappelijke positie en kampen, wellicht nog sterker dan de statistieken aangeven, met gezondheidsachterstanden. Het gevolg is een grote afhankelijkheid van zorg- en ondersteuningsstructuren. Het hoge voorzieningengebruik lijkt ook samen te hangen met institutionele factoren. Daarbij is gewezen op de soms onevenwichtige spreiding van het voorzieningenaanbod tussen gemeenten en regio’s. Want aanbod schept vraag: waar voorzieningen zich concentreren, is een hoger gebruik zichtbaar. In alle gesprekken is voorts stilgestaan bij de regionale eigenheid en cultuur, die mede gevormd is door de economische geschiedenis en religieuze en politieke tradities: de staat zorgt voor ons, de mijnen zorgen voor ons, de kerk waakt over ons. Nu deze instituties er niet meer zijn of aan belang hebben ingeboet, ontberen sommige bewoners het geloof en de vaardigheden hun lot meer in eigen hand te nemen.

Bouwstenen voor verder onderzoek

Het rapport Regionale verschillen geduid vormt het resultaat van een exploratief onderzoek. Het rapport pretendeert geenszins definitieve antwoorden te geven op de vraag hoe de verrassend grote verschillen te verklaren te zijn. Wel reikt het stof tot nader onderzoek aan. De uitkomsten worden later dit jaar door het SCP gebruikt als bouwstenen voor een kwantitatieve verdiepende studie over dit onderwerp.