Praktijkpartners kunnen haast niet wachten op kennis

Nederlandse wetenschappers trekken een viertal projecten binnen JPI Urban Europe. In de eerste ronde gaat dat over thema’s als zelforganisatie in ruimtelijke planprocessen, verduurzamen van het stedelijk vrachtvervoer, scenario’s voor het verbeteren van wijken en migratiestromen binnen de EU. De onderzoekers zijn nu ruim een jaar onderweg en geven de stand van zaken. Waar staan ze en hoe gaat de samenwerking met de niet-wetenschappelijke partijen ‘in het veld’?

Hoogleraar Willem Salet en universitair docent Federico Savini zijn de trekkers van het project APRILab (‘Action Oriented Planning Regulation and Investment dilemmas in the context of Living Lab’) dat zich bezighoudt met innovatieve ruimtelijke planprocessen. Savini: “De trend is dat ruimtelijke planprocessen met meer vrijheid en meer flexibiliteit en meer inbreng van burgers en zelforganisatie tot stand komen dan een tijd geleden. Ruimtelijke plannen zijn nu veel kleinschaliger dan vroeger en meer op de korte termijn gericht. De ruimte verandert nu meer in kleine stapjes in plaats van via grote projecten. Veel stakeholders in ruimtelijke planning verwachten ook dat dit de weg uit de crisis is. Wij willen in ons onderzoek kritisch kijken naar deze nieuwe trend: wat werkt wel en niet? Welke innovaties zijn er nodig en wat kan hetzelfde blijven? We kijken vooral naar drie verschillende aspecten: interventies, regelgeving en investeringen. Naar deze drie aspecten doen vier Europese universiteiten onderzoek in verschillende steden in Europa. Zo hebben we elk ons eigen Living Lab dichtbij.”

Betere planprocessen

Het team van Savini werkt aan een ‘community of practice’ met verschillende Amsterdamse stakeholders die bij het onderzoek worden betrokken, zoals verschillende afdelingen van de gemeente, architectuurcentrum ARCAM, woningcorporaties, ontwikkelaars en burgers via de community IJburg Droomt-IJburg Doet. Savini: “De drie aspecten die we onderzoeken, komen deze stakeholders allemaal bekend voor. Geen wonder; ze zijn voortgekomen uit eerder onderzoek en we hebben de probleemstelling van APRILab ook zo open mogelijk gehouden voor inbreng van de praktijkpartijen zelf. De gemeente is bijvoorbeeld erg responsief; de stakeholders zien het belang van de punten waarmee we bezig zijn. Elke stakeholder heeft zijn eigen rol, positie en belang in een planproces. Hierdoor zijn ze vaak over veel dingen niet eens. Ze krijgen wetenschappelijke feedback op hun besluiten. We bespreken onze onderzoeksresultaten in workshops en organiseren de dialoog met en tussen de stakeholders zo, dat de kans groot is dat ze gezamenlijke elementen vinden waarmee ze iets kunnen in hun planprocessen.”

Verduurzaming stedelijk vrachtvervoer

Hoogleraar Tom van Woensel (TUE) trekt het project CONCOORD (Consolidation and Coordination in urban areas) over de verduurzamen van het stedelijk vrachtvervoer. “We werken met verschillende Europese wetenschappelijke en ander partijen aan een geïntegreerde stedelijke simulatieomgeving voor vrachtvervoer, aan een meetkader voor de ecologische voetafdruk van transport en logistiek en voor prestaties van nieuwe, innovatieve stedelijke vervoers- en logistieke concepten. We moesten eerst onze labomgeving opzetten. Al ons materiaal daarvoor hebben we toegankelijk gemaakt via www.wiki4city.eu. We overleggen met verschillende partijen uit de logistieke praktijk, zoals FloraHolland, Proctor & Gamble, Heineken en BinnenstadService. We zoeken op deze manier actief naar praktijkgevallen en business cases waarop we onze expertise los kunnen laten.’ Van Woensel ziet vooral logistieke dienstverleners, verladers en managers in steden als potentiële gebruikers van de kennis die CONCOORD oplevert. ’Het jaar 2015 staat in het teken van verdere samenwerking, zodat we praktijkcases met de partijen in het veld kunnen bouwen aan de hand van hun huidige problemen. Die draaien allemaal om de vraag hoe ze effectief naar de stad kunnen gaan.”

Binnenstadservice

De onderstroom in gentrificerende wijken

Gentrification 2.0 draait om het verbeteren van wijken. Hoogleraar Arnoud Lagendijk (RU) trekt het project en licht toe: “Gentrification, breed gedefinieerd als de instroom van midden- of hogere klasse-huishoudens in armere binnenstedelijke buurten, is sinds het voor het eerst werd opgemerkt in de jaren 1960 zeer omstreden. Het is complexe materie, die wij op een nieuwe manier willen benaderen. Vroegere benaderingen waren nogal eenzijdig of te algemeen. Wij willen meer de concrete lokale stedelijke praktijken die ten grondslag liggen aan de algemene cijfers en verhalen over gentrification belichten. We vertrekken vanuit de huidige ‘stand van de wijk’, zoals weerspiegeld in bestaande statistieken en cijfers over de buurt, en werken dan in de richting van veelbelovende perspectieven en praktijken die niet te vangen zijn in deze cijfers. Het expliciete doel is om praktijkpartijen een beeld te geven van mogelijke scenario’s voor het verbeteren van wijken. We maken daarvoor een interactief GIS-instrument dat de onderzoeksresultaten voor een breder publiek toegankelijk maakt, waarbij de onderzoekers zich vooral richten op geïnteresseerde stedenbouwkundigen, academici, politici, en praktijkmensen. Een onderdeel van het project is een website met interactieve kaarten en verhalen.”

gentrification

Lokale netwerken

Lagendijk: “Wij hebben met allerlei partijen uit de praktijk contact: ondernemers, wijkorganisaties, woningbouwcorporaties, investeerders, gemeente, bewoners, makelaars. Andere typen partijen volgen in de loop van dit jaar, zoals politieke partijen en bezoekers. Een aantal van deze partijen is vertegenwoordigd in de adviesraad die regelmatig bijeen komt om mee te denken over het onderzoeksproject. Daarnaast is het Weense team adviseur van Einfach15. Dit is een lokaal netwerk van ondernemers, creatieve industrie en kunstenaars. Het netwerk krijgt sinds de herfst van 2014 subsidie en is nu bezig om een programma met activiteiten op te zetten. Het Weense team heeft nauw contact met de organisatoren daarvan. We gaan onderzoeken in hoeverre het GIS-instrument dat we binnen Gentrification 2.0 aan het ontwikkelen zijn, het werk van Einfach15 kan ondersteunen.”

Trends in EU-migratie

Het vierde project is IMAGINATION (Urban Implications and Governance of CEE migration). Hoogleraar Godfried Engbersen (EUR) coördineert dit en Mark van Ostaijen is als aio aan het project verbonden. Het project richt zich op trends en gevolgen van migratiestromen binnen de EU. Het inrichten van de publieke dienstverlening aan deze migranten is één van de vraagstukken. Het differentiëren in verschillende typen migranten is een belangrijk onderdeel. Bepalende criteria daarbij zijn lengte van het verblijf en sociaaleconomische status in het ontvangende land.
IMAGINATION richt zich op stedelijke regio’s in Oostenrijk, Nederland, Zweden en Turkije en omvat ook het perspectief van de EU-landen van waaruit de migratie vooral plaatsvindt. Van Ostaijen: “Twee dingen vallen al op. Ten eerste blijkt de EU-migratie in de vier landen te feminiseren, er zijn relatief meer vrouwen dan mannen die migreren. En verder is er sprake van een dekwalificatie van migranten. Hun arbeidspositie komt niet altijd overeen met hun oorspronkelijke opleidingsniveau en kwalificaties. We gaan dit nu verder onderzoeken.”

Kennisontwikkeling en -verspreiding tegelijkertijd

IMAGINATION werkt op verschillende manieren samen met praktijkpartners. Van Ostaijen: “We praten regelmatig bij met onze cofinanciers, het ministerie van BZK en de gemeente Rotterdam. We spreken trouwens ook regelmatig met andere partijen over ons onderzoek, zoals met het ministerie van Veiligheid en Justitie en SZW. Een heel andere vorm van contact met het veld hebben we via het onderzoek zelf, via de Urban Living Lab-sessies, een soort focusgroep. Die sessies spelen een rol in de dataverzameling, maar ook in de kennisverspreiding. Bij mensen in het veld kun je denken aan beleidsmakers bij overheden, maar ook aan vertegenwoordigers van organisaties die zich bezighouden met de huisvesting en de arbeidsbemiddeling van EU-migranten.”

europe-from-space

Urgente kwesties

Het EU-migratievraagstuk is maatschappelijk en politiek urgent, merken de onderzoekers. Van Ostaijen: “Beleidsmakers laten zich graag bijpraten over nieuwe resultaten. Zo maken wij een onderscheid in verschillende typen migranten. Als er dan met een specifieke groep iets speelt – bijvoorbeeld met kinderen van Oost-Europese ouders – dan zijn beleidsmakers benieuwd naar kenmerkende inzichten die we over zo’n groep hebben. Een ander actueel punt is de tijdelijkheid van migratie, het verschil tussen kort, middellang en lang verblijf in Nederland. Dat brengt bijvoorbeeld andere typen huisvestingsvragen met zich mee. En er ontstaan integratievraagstukken. Daarover willen onze partners graag geïnformeerd blijven.’

Als het gaat om het programmeren van onderzoek rond EU-migratie, dan hebben de onderzoekers zelf ook nog een duidelijke wens. ’Het is – zeker via tweede- en derdegeldstroomonderzoek – lastig om longitudinaal onderzoek te doen. In het bijzonder voor zoiets als trends in migratiepatronen is dat natuurlijk wel nodig. Zo af en toe de thermometer er even insteken, volstaat niet om echt goed inzicht te krijgen.”